Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oli

P. 476.

P. 476 reg. 9 v. o. — Na „vgl." in te voegen: Rb. Amsterdam 14 Dec. 1926 W. 11711 en

P. 477 reg. 17 v. b. — Artt. 308, 309, 844 Sv. 1921, nu artt. 312, 313, 348. — Reg. 18. — In plaats van „na invoering van dat wetboek" lees: thans

P. 477 reg. 14 v. o. — Na „opgenomen." in te voegen: En al is men van oordeel dat dit lid 2 niet overbodig was ten aanzien der beoordeeling van de competentie (zie bij R. O. p. 464), dan kan men nog meenen dat daarmee niet gelijk staat de beoordeeling der appellabiliteit, omdat deze afhangt van de wettelijk bedreigde straf, terwijl juist voor de strafoplegging het oude art. 191 lid 2 overbodig was.

P. 477 reg. 9 v. o. — Na „doch" in te voegen: in het hier bedoelde geval

P. 479 reg. 16—17 v. b. — Artt. 401 lid 1 (niet: 2), 402, 404 jis 344, 346 Sv. 1921, nu artt. 422 lid 1, 423, 425 jis 348, 350.

P. 481 reg. 14-15 v. b. — Artt. 348 lid 2, 394, 404 Sv. 1921, nu artt. 352 lid 2, 415, 425. (Vgl. boven bij R. O. p. 462 reg. 8 v. o.)

P. 485 reg. 13 v. b. — Toevoeging: Voor de vervangende plaatsing in een tuchtschool of in een bijzondere strafgevangenis (art. 23 lid 2 Swb.) zal hetzelfde moeten worden aangenomen als voor de vervangende hechtenis.

P. 485 reg. 8 v. o. — Art. 350 Sv. 1921, nu art. 354.

P. 486 reg. 9 v. b. — Toevoeging: Aangaande een op onjuiste wijze ten laste gelegde herhaling zie het bij R. O. p. 476 vermelde arr. H. R. van 24 Jan. 1927 en H. R. 26 Nov. 1928 W. 11921 p. 4 kol. 2—3, N. J. 1929 p. 235—236.

P. 487 no. 15 i. f. — Na „Breda" in te voegen: 16 April 1925 N. J. 1925 p. 1082 en

P. 487 no. 16 a i. f. — Toevoeging: Zie voorts H. R. 20 Dec. 1926 W. 11636 p. 2 kol. 1—3, N. J. 1927 p. 34, in gelijken zin als de in dit no. 16 vermelde jurisprudentie, voor het geval dat de Kantonrechter ten gevolge zijner verkeerde op-

Sluiten