Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 496.

p. 237; anders concl. O. M. vóór Rb. Amsterdam 14 April 1930 N. J. 1930 p. 783.

P. 496 v. o.—497 v. b. — No. 2 c kan vervallen, daar door de wijziging van art. 262 B. W. bij wet 1921 Stbl. 696 dereden tot het stellen der vraag is opgeheven.

P. 497 reg. 12 v. b. — Na „Supplement" in te voegen :p. 59 — Na „aldaar": p. 28 bij Inl.

P. 498 no. 6 a i. f. — Toevoeging: H. R. 14 Okt. 1926 W. 11589, N. J. 1926 p. 1348 is van het arrest van 1919 afgeweken en heeft aangenomen dat ook voor de beschikkingen van art. 487 oud "W. v. K. de Rechtbank als „gewone" rechter bevoegd was, nu die bepaling daaromtrent zweeg.

P. 499 reg. 17 v. o. — Na „6 a)" in te voegen: — waarvan hij echter sedert is afgeweken, zie bij R. O. p. 498—

P. 499 reg. 3 v. o. — Toevoeging: Vgl. Hof Amsterdam 29 Febr. 1924, bij Inl. R. O. p. 124 no. 6 geciteerd.

P. 500 c. — Star Busmann 2e dr. p. 71.

P. 501 reg. 9 v. o. — Na „350 v. b." in te voegen: en het arrest van het Fransche Hof van Cassatie van 3 Jan. 1923 S. et P. 1923. 1. 207 (met noot).

P. 501 reg. 5 v. o. — Toevoeging: j. Over renvooizaken bvj faillissement zie no. 7 op art. 54 B.

P. 501 reg. 4 v. o. — Na „9" in te voegen: a.

P. 502 reg. 10 v. b. — Toevoeging eener nieuwe alinea: b. Over de bevoegdheid van den Kantonrechter in voluntaire jurisdiktie naar art. 6 Handelsnaamwet 1921 Stbl. 842 in verhouding tot de bevoegdheid der Rechtbank voor de in dat artikel mede genoemde vordering, steunend op art. 1401 B. W., vgl. Hof Amsterdam 2 Febr. 1926 W. 11471.

P. 503 reg. 7 v. b. — Na „44" in te voegen: Evenmin is een dictum ter rolle de beslissing dat een bij voorwaardelijk eindvonnis opgelegde eed ondanks hooger beroep van dat vonnis

Sluiten