Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 503.

zal worden afgelegd: Hof 's-Gravenhage 15 Okt. 1928 W. 11898, N. J. 1929 p. 29.

P. 503 reg. 16 v. b. — Na „61;" in te voegen: concl. O. M. vóór H. R. 18 Dec. 1925 W. 11448 p. 4 kol. 1—3, N. J. 1926 p. 168;

P. 503 no. 12 a i. f. — Na „F" in te voegen: (p. 295 al. 2)

Art. 54.

A. Art. 54 no. 1.

P. 504 reg. 9 v. b. en no. 2 b.— Art. 497 Sv. 1921, nu art. 525. — De verwijzing naar no. 2 b vervalt evenals dat no. 2 b zelf ingevolge art. 527 Sv. 1925.

P. 505 reg. 7 v. b. — Toevoeging: en III p. 288 v. o. — Anders dan het R. O. p. 504 v. o. vermelde arrest van 1903 H. R. 19 Nov. 1925 W. 11450 (met noot S. B.), N. J. 1926 p. 91, op grond dat de wet nergens het in 1903 aangenomen vereischte stelt en dat dit vereischte evenmin voortvloeit uit den aard van het jurisdiktiegeschil, terwijl uit art. 274 lid 3 Rv., waarheen art. 276 verwijst, een argument voor het tegendeel kan worden geput. — S. B. vindt het argument uit art. 274 Rv. zwak, omdat dit artikel op jurisdiktiegeschillen alleen dan toepasselijk is als hun aard dat toelaat. Hij vermeldt nog voor de leer van het arrest van 1903 Hof 's-Gravenhage 12 Jan. 1925 (bij R. O. p. 539 te citeeren) en Hof 's-Hertogenbosch 11 Okt. 1883 (R. O. p. 504 v. b. geciteerd). Vgl. Blok-Besier 1. 1. III p. 114 v. o.—116.

5. De behandeling van een jurisdiktiegeschil strekt enkel tot opheffing der moeilijkheden, ontstaan door ten aanzien der bevoegdheidsvraag met elkaar strijdige uitspraken in éénzelfde zaak. Zij beoogt niet die, dikwijls reeds in kracht van gewijsde gegane uitspraken zelf aan het oordeel eener hoogere instantie te onderwerpen. Dus heeft hij, die het jurisdiktiegeschil beslist, slechts den rechter aan te wijzen, die over de ingestelde vordering

Léon's Rspr., II 1, R. O., 2e ged. s. g

Sluiten