Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 505.

moet oordeelen en mag hij de gewezen vonnissen niet wijzigen, ook niet ten aanzien der veroordeeling in de kosten.

H. R. 19 Nov. 1925, bij no. 3 geciteerd.

B. Art. 54 no. 2.

P. 505 reg. 14 v. b. — Na „1." in te voegen: a.

P. 505 reg. 1 v. o. — Toevoeging: b. Onder „hoofdsom" in art. 54 no. 2 valt enkel het gevorderd kapitaal en de tijdens de dagvaarding reeds verschenen rente daarvan. Immers kunnen niet verschenen contractueele renten niet tot de hoofdsom worden gerekend.

H. R. 7 Jan. 1926 W. 11457 p. 1—2 (met noot S. B.),N. J. 1926 p. 297 (met noot E. M. M.), contra O. M. de cassatie verwerpend tegen Hof Leeuwarden 18 Maart 1925 "W. 11390. Het O. M. sloot zich kennelijk aan bij Hof Amsterdam 10 Nov. 1916, R. O. p. 252—253 geciteerd, waaromtrent zie hieronder. S. B. haalt Faure I § 30 aan en het R. Mag. 1923 p. 522 en 527 omtrent het woord „hoofdsom" in art. 38 no. 2 gezegde, welke bepaling z. i. een vingerwijzing bevat voor de leer van het arrest H. R. van 1926. Men kan dit beamen, mits men in het oog houdt dat het woord in art. 38 no. 2 in dubbele beteekenis wordt gebezigd, wat niet behoeft te worden aangenomen voor art. 54 no. 2 (zie de concl. O. M. vóór het onder c te vermelden arrest H. R. van 1928), terwijl „hoofdsom in deze bepaling weer in ruimeren zin is op te vatten dan in art. 54 no. 3 (zie het R. O. p. 505 vermelde arrest H. R. van 1876). E. M. M. wijst op R. 0. p. 250, 253, 256 en zegt dat ik het daar eens ben met bovengenoemd Amsterdamsch arrest van 1916. Dat is zoo, maar hierbij is er op te letten dat laatstbedoeld arrest allereerst de competentie betrof. Wel verklaarde het Hof toen de Rechtbank bevoegd tot kennisneming „in eersten aanleg", doch dit is een bloote herhaling der terminologie van art. 53, dat het Hof, m. i. terecht, toepasselijk achtte en niet art. 38. Metterdaad worden de genoemde woorden van art. 53 in art. 54 no. 2 voor het dooi deze

Sluiten