Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 508.

Hij schijnt er niet aan te hebben gedacht dat die jurisprudentie ziet op vermindering der rechtsvordering, niet op een grooter of kleiner bedrag der schuldvordering. Is om die reden de door v. R. aangenomen analogie niet aanwezig, toch heeft hij gelijk in zijn opvatting dat het bedrag van het betwiste gedeelte hier maatstaf is voor de appellabiliteit. Want objekt van het geschil is een ontkend bepaald bedrag der schuldvordering en men kan hier spreken van een rechtsvordering tot ontkenning van dat bedrag, al wordt zij niet op de gewone wijze aanhangig gemaakt.

P. 508 reg. 15 v. b. — In plaats van „vóór art. 88 A" lees: p. 194, vóór art. 38, A

P. 508 reg. 18. — Na „daarentegen" in te voegen: Hof Arnhem 14 Jan. 1925 W. 11314 p. 3, N. J. 1925 p. 1136; Hof 's-Gravenhage 7 Maart 1927 W. 11651, N. J. 1928 p. 281 (contra O. M.); Hof Leeuwarden 18 April 1928 W. 12013, N. J. 1930 p. 74 (implicite); — Na „'s-Hertogenbosch" in te voegen: 16 Okt. 1928 W. 11912,

P. 509. No. 11 vervalt tengevolge van de wijziging der Armenwet bij wet 1929 Stbl. 326.

P. 511. Art. 54 no. 4

P. 512 no. 5 i. f. — Star Busmann 2e dr. p. 171.

P. 514 reg. 6 v. b. — Toevoeging: 14. Een geschil over de vraag, bij wien is de direktie eener zekere vennootschap, is geen rechtsvordering over bezitrecht als bedoeld in art. 54 no. 4.

Hof Amsterdam 2 Juli 1926 W. 11553 p. 2—3.

P. 515. Art. 55.

P. 516 reg. 7 v. b. — Toevoeging: 4. Een overeenkomst, waarbij de eene partij verklaart af te zien van hooger beroep van het te wijzen vonnis, doch de andere partij zich dat hooger beroep voorbehoudt, sluit zich aan bij art. 55. De overeenkomst heeft een geoorloofde oorzaak en de eerstbedoelde partij is niet ontvankelijk in het met haar in strijd ingesteld appèl.

Hof Amsterdam 26 April 1927 W. 11709. — Art. 55 spreekt

Sluiten