Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 547.

tot de in R. Mag. 1925 p. 13—14 voor de cassatie bedoelde zeer ruime opvatting. Bij die p. 13—14 vgl. Mannheim p. 34—36, die overigens o. a. p. 82 v. b. het onderzoek der feiten bij de Revision buitensluit. Zijn betoog p. 34—36 heeft de strekking van de zooeven bedoelde zeer ruime opvatting (R. Mag. 1. 1. als mogelijk gesteld, maar voor ons recht verworpen) de mogelijkheid te ontkennen, op motief dat de objektieve werkelijkheid onkenbaar en de subjektieve zienswijze daaromtrent van den hoogsten rechter nog niet bekend is tijdens het aanwenden van het rechtsmiddel. Ware deze argumentatie juist, dan zou wat Mannheim hier over de feiten zegt, ook ten aanzien van de wetsuitlegging zijn aan te voeren. Deze toch staat evenzeer nooit objektief vast en vaak is het bij het aanteekenen van beroep in cassatie of Revision onbekend hoe de hoogste rechter de wet zal uitleggen. Moet dus diens zienswijze dan toch worden ingeroepen, waarom zou datzelfde niet evengoed mogelijk zijn voor de feiten, al zou daarvan het gevolg zijn een volledige derde instantie, die men juist niet wenscht.

Over de R. Mag. 1925 p. 26—29 besproken ervaringsregels vgl. nog Manigk: 1. 1. p. 139,141—146; Mannheim p. 110—117; Marty 1. 1. p. 158—161. — Over de kwalifikatie en subsumtie (zie R. Mag. 1925 p. 33 vv.) Manigk p. 125—126, 131—132, 163; Mannheim p. 64—66 v. b. jia p. 39—40; Marty p. 188 vv., 203—204, 205 v. o. Speciaal ten opzichte van het „ius in causa positum" (zie R. Mag. 1925 p. 137 vv.) Mannheim p. 70—75; Marty p. 208—216 jis p. 339—341 (noot). Daarbij vgl. P. de Chauveron, Du pouvoir de controle de la Cour de cassation sur la qualiflcation criminelle, diss. Parijs 1908 p. 3—4. Aangaande subsumtie tegenover uitlegging zie Mannheim 1. 1. p. 76—77.

Art. 95.

P. 547 reg. 6 v. o. — Toevoeging: Vgl. voor buitenlandschrecht G. Wurzer, Nichturteil und Nichtiges Urteil, 1927 (Heft 40

Sluiten