Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bil

P. 554.

P. 554 reg. 15 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 22 Juni 1925 W. 11445, N. J. 1925 p. 817.

P. 555 reg. 4 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 10 Febr. 1930 W. 12102 p. 3—4, N. J. 1930 p. 443; 7 Nov. 1924 N. J. 1925 p. 81 ;

P. 555 reg. 8 en 9 v. b. — Na „Sv." in te voegen: 1886

P. 555 reg. 4 v. o. — Toevoeging: Over de vraag of in het strafgeding verzuim van bij de instructie in acht te nemen vormen grond kan zijn voor cassatie der eindbeslissing, onder art. 346 Sv. 1886 H. R. 28 Juni 1926 W. 11560 p. 5 kol. 1—2, N. J. 1926 p. 867, ontkennend wegens de redaktie van het artikel (vgl. daarop Léon-Hulshoff met Supplem. 1—3, no. 10, 10 b, 14 N). Insgelijks voor Sv., 1925 (zie. artt. 256 lid 2 en 431) Simons, Sv. 7e dr. p. 297—298; Noyon, Het Wb. v. Sv. (1926) p. 598 op art. 431; Blok-Besier 1. 1. II p. 414, 432.

P. 556 reg. 4 v. b. — Toevoeging:

10 A. Niet ontvankelijk in cassatie is de partij in vrijwaring, die een enkel op de hoofdzaak betrekking hebbend middel van cassatie heeft voorgesteld.

H. R. 15 Juni 1928 W. 11863, N. J. 1928 p. 1346. 10 B. Een door den rechter uitgesproken voorwaardelijk voornemen te zijner tijd zekere beslissing te geven, bindt hem niet en geeft geen grond tot cassatie.

H. R. 6 Nov. 1929 W. 12058, N. J. 1929 p. 1713; 5 Maart 1926 W. 11489, N. J. 1926 p. 504.

P. 557 no. 13 i. f. — Toevoeging: Zie ook H. R. 6 Dec. 1926 W. 11625 p. 1 kol. 2—3, N. J. 1927 p. 39 kol. 1, v. b. In beide zaken had de medeverdachte niet ook beroep in cassatie aangeteekend.

P. 558 reg. 11 v. b. — Na „p. 119" in te voegen: Zie voorts H. R. 19 Okt. 1925 W. 11466 p. 2 kol. 2, N. J. 1925 p. 1227: afstand van het hooger beroep, gedaan èn door het O. M. èn door beklaagde [verdachte], brengt niet mee dat het vonnis werd gewezen in hoogste ressort.

Sluiten