Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 567.

geval, wat niet zou uitsluiten dat het dan analogisch kon worden toegepast, omdat de dan bestaande leemte, die ook vroeger bestond, niet zou mogen leiden tot veilamming der werking van andere artikelen, zooals art. 98 R. O. en art. 430 lid 2 Sv. Maar m. i. brengt reeds dat art. 430 lid 2 mee dat men art. 456 niet letterlijk moet uitleggen, doch lezen als stond er: niet of niet meer. Want het is onaannemelijk dat de wet met de eene hand (in art. 456) zou te niet doen wat zij met de andere (in art. 430 lid 2) heeft geschreven. En dat zou het geval zijn, als de door B. en B. gestelde vraag ontkennend werd beantwoord.

P. 568. No. 4 vervalt, nu art. 351 Sv. 1886 in Sv. 1925 niet is overgenomen.

Art. 99.

A. Art. 99 lid 1 no. 1.

P. 568 reg. 5 v. o. - Art. 358 Sv. 1921, nu art. 362.

P. 569 reg. 1 v. o. — Toevoeging: Ygl. Marty (bij R. O. p. 180 geciteerd) p. 20—23, 89—93.

c. Tengevolge van art. 330 Sv. (vgl. art. 200 Sv. 1886) valt het in art. 346 lid 2 Sv. 1886 afzonderlijk genoemde geval van nalaten uitspraak te doen op een vordering van het

0. M. of van verdachte, strekkende om gebruik te maken van een wettelijke bevoegdheid, onder verzuim van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm; vgl. Simons, Sv. 7e dr. p. 299 (mede over de onbevoegdheid, ook genoemd in art. 346 lid 2 Sv. 1886 en over artt. 348 en 349 Sv. 1886). Zie aangaande vormverzuim in strafzaken Blok-Besier

1. 1. II p. 416—417, 432—433, 448.

p. 571. B. Art. 99 lid 1 no. 2. — „Wet".

P. 571 reg. 13 v. o. — Na „wet" in te voegen: Vgl. concl. O. M. vóór H. R. 21 Febr. 1930 W. 12119, N. J. 1930 p. 654.

P. 571 reg. 2 v. o. — Na „aanmerkend." in te voegen: Ygl. Mastboom in Themis 1929 p. 451 — 458.

Sluiten