Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 584.

no. 339. Ygl. Maety 1. 1. p. 119—133, 144-151, 162—164.

P. 585 al. 1 i. f. — Toevoeging: Voorts Frankenstein, Int. priv.recht I (1926) p. 293—294. Voor Duitschland èn Oostenrijk nog G. Walker, Int. priv.recht 4e dr. (1926) p. 214—217, die voor Zwitserland en Spanje anderen citeert.

P. 585 reg. 8 v. o. — Na „verder" in te voegen: Jitta, Int. priv.recht p. 605;

P. 586 reg. 7 v. b. — Na „geformuleerd." in te voegen: Vgl. in Frankrijk Cass. 19 Febr. 1929 D. P. 1929 1. 73, S. et P. 1930.1.49, J. D. I. 1929 p. 1042.

P. 586 reg. 15 v. o. — Toevoeging: Vgl. denzelfde, Les fondements (bij R. O. p. 8 geciteerd) p. 268—270. Hetgeen hij zegt weerlegt niet de uiteenzetting R. O. p. 585 v. b.—586.

P. 586 reg. 1 v. o. — Na „toegepast" in te voegen: Maar de concl. O. M. vóór H. E. 6 Jan. 1928 W. 11784 p. 2—3 (p. 3 kol. 1 v. b.), N. J. 1928 p. 311 onderscheidt (met andere woorden) tusschen verkeerd en verkeerdelijk toepassen der wet; z. i. valt onder de in art. 99 bedoelde verkeerde toepassing niet toepassing van Nederlandsch recht, dat niet toepasselijk was. — Vgl. Marty 1. 1. p. 124—125.

P. 587 reg. 12 v. b. — Toevoeging: H. R. 24 Juni 1927 W. 11704 p. 1—2, N. J. 1927 p. 1259 (met een belangrijke noot E. M. M. p. 1262 over de vroegere jurisprudentie van den H. R.) overwoog: slechts als de Nederlandsche wet voorschrijft, of als uit haar is af te leiden dat in zekere omstandigheden geen ander dan Nederlandsch recht mag worden toegepast, kan toepassing van vreemd recht reden zijn tot cassatie. Vgl. ook de noot van E. M. M. op H. R. 6 Jan. 1928 in N. J. 1928 p. 311. — Over de toepassing van internationaal privaatrecht en van de buitenlandsche wet, als de Nederlandsche wet deze toepasselijk verklaart, vgl. naar aanleiding van het R. O. p. 585 v. o. geciteerde arrest H. R. van 25 Juni 1920 v. n. Flier in Grotius 1919—1920 p. 46—49.

H. R. 28 Jan. 1927 W. 11640 p. 1—2, N. J. 1927 p. 662,

Sluiten