Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tflj

P. 605.

twee arresten in W. 11754 p. 1—2 en p. 2—3, N. J. 1928 p. 149 en p. 40; 18 Mei 1927 W. 11682; 9 Febr. 1927 W. 11647, N. J. 1927 p. 405 (contra 0. M., dat iraplicite geen novum aanwezig achtte. Het arrest betrof de bewering dat kosten van wederbelegging in effekten, als geen noodzakelijk gevolg der onteigening, niet moeten worden vergoed. Die bewering was geen beroep op een rechtsgrond, omdat het van de omstandigheden in het gegeven geval afhangt of zij juist is). Voorts H. R. 14 Mei 1926 W. 11517, N. J. 1926 p. 827; 17Dec. 1925 W. 11452, N. J. 1926 p. 193;

P. 606 reg. 8 v. o. — Na „oorzaak" in te voegen: Vgl. nog H. R. 20 Nov. 1925, bij R. O. p. 601 geciteerd.

P. 606 reg. 4 v. o. — Na „1433" in te voegen: Vgl. H. R. 29 Nov. 1928 W. 11933, N. J. 1929 p. 472 aangaande een bepaling in statuten aannemend dat haar strijd met openbare orde en goede zeden voor het eerst in cassatie kan worden beweerd, vgl. de concl. O. M.: het is een rechtsgrond.

P. 607 reg. 5 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 29 Juni 1928 W. 11886, N. J. 1928 p. 1611, 21 Nov. 1927 W. 1177], N. J. 1928 p. 82; 8 April 1927 (zie bij R. O. p. 609); 28 Aug. 1925 W. 11444, N. J. 1925 p. 1113 (inzoover contra O. M.); 5 Febr. 1925 W. 11437, N. J. 1925 p. 440; 30 Jan. 1925 W. 11367, N. J. 1925 p. 437;

P. 609 al. 2 i. f. — Toevoeging: De leer van 1907 en 1915 is gehandhaafd door H. R. 8 April 1927 W. 11664 p. 1—2, N. J. 1927 p. 1110, met de bijvoeging dat het onverschillig is of die rechtsgrond is neergelegd in een wettelijk voorschrift.

P. 611 reg. 3 v. o. — Na „vaststaan" in te voegen: en dus den lageren rechter bekend konden zijn

P. 611 reg. 1 v. o. — Toevoeging: Cass. 14 Juni en 5 Juli 1921 D. P. 1921. 1. 136 en 214 (de noten 1 1.1. vermelden vroegere jurisprudentie); Cass. 3 Mei 1924 D. P. 1925. 1. 17 met noot 1.

P. 612 reg. 6 v. b, — Na „H. R." in te voegen: 28 Aug. 1925, bij R. O. p. 607 geciteerd,

Sluiten