Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bil

P. 612.

P. 612 reg. 17 v. o. — Na „betreffen" in te voegen: De concl. O. M. vóór H. R. 25 Juni 1928 W. 11892, N. J. 1928 p. 1241 (die jurisprudentie van den H. R. en litteratuur vermeldt, o. a. P. J. de Kanter, Rechtsgronden en rechtsmiddelen, diss. Leiden 1928) wijst er op dat naar de nieuwere opvatting in art. 48 Rv. het woord „regtsgronden" niet staat tegenover rechtsmiddelen, maar tegenover feitelijke gronden. De dissertatie van de Kanter is aangekondigd door Feith in Themis 1928 p. 479—486, zie speciaal p. 481—484.

P. 613 reg. 7 v. b. — Star Busmann 2" dr. p. 242, 246.

P. 616 reg. 8—9 v. b. — In plaats van „3402 — §59" lees:

3403, R.spr. 99 § 14, v. d. Hon. G. Z. 26 p. 55,

P. 616 reg. 11 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 18 Jan. 1926 W. 11539 p. 2 kol. 1—3, N. J. 1926 p. 238 (met noot L. Besier p. 240);

P. 617 reg. 3 v. b. — Na „p. 59" in te voegen: doch vgl. nu Blok-Besier II p. 406—407 v. b.: tegenwoordig neemt de Hooge Raad aan dat beroep op een verzuim in een strafzaak voor het eerst in cassatie kan worden gedaan, ook al blijkt van dat verzuim uit andere stukken dan vonnis of procesverbaal der zitting. De vroegere beperkte opvatting vindt geen steun in de wet.

D. Art. 99 lid 1 no. 2. — Diskretionaire bevoegdheid van den lageren rechter.

P. 618 reg. 10 v. b., 17, 10 en 7 v. o. — Artt. 285 lid 3, 311 vv. j° 277, 264, 277 jis 311 vv. Sv. 1921, nu artt. 288, 315 vv. j° 277, 264, 277 jis 315 vv.

P. 619 reg. 6 v. o. — Na „arresten" in te voegen: Zie ook H. R. 4 Maart 1926 N. J. 1926 p. 380 ten opzichte van den inhoud aan den suppletoiren eed te geven. Vgl. bij R. O. p. 783.

P. 620 reg. 2—3 v. b. — De verwijzing naar R. Mag. te lezen: 1925 p. 5 noot 1.

Sluiten