Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 627.

de afkondiging is geschied. Zie de jurisprudentie, waarnaar wordt verwezen bij Léon-v. Praag in no. 2 b op artt. 1—2 A. B. (p. 6).

De vraag of iets is een notoir feit is wel feitelijk, maar de Hooge Raad kan haar in cassatie toch zelf beantwoorden, indien daartoe geen feitelijk onderzoek noodig is; vgl. R. Mag. 1925 p. 15 v. o.—16 v. b., 18—20, 29. De concl. O. M. vóór

H. R. 5 Dec. 1927 W. 11754, N. J. 1928 p. 5 (zie noot 2 v. Dyck p. 14) meende dat de Hooge Raad enkel mag onderzoeken of iets een notoir feit kan zijn. "Vgl. Blok-Besier

I. 1. II p. 133, in die conclusie geciteerd. Het is mogelijk dat de Hooge Raad in genoemd arrest heeft aangenomen dat hetgeen de door hem gegispte beslissing van het Hof als van algemeene bekendheid bad aangemerkt, dit niet zijn kon. — Anders dan R. Mag. 1. 1. Marty p. 361—362. Vgl. boven p. 136 reg. 7—12.

P. 628 reg. 15 v. b. en reg. 15 v. o. — Artt. 22 en 347 Sv. 1886, zie nu artt. 3 j° 2, respektievelijk art. 430 Sv.

P. 628 reg. 13 v. o. — Toevoeging: De vraag of zekere plaats, waarvan vaststaat dat daar is gehandeld, behoort tot het Nederlandsch (water)gebied, is geen feitelijk bestanddeel van het strafbare feit, maar een omstandigheid, die op grond van algemeene bekendheid of eigen wetenschap des rechters, in verband met rechtskundige beschouwingen, moet worden vastgesteld: concl. O. M. vóór H. R. 29 Maart 1926 W. 11509, N. J. 1926 p. 455. De Hooge Raad stelde het punt zelf vast met het oog op het toen in aanmerking komende grensverdrag.

P. 629 reg. 2 v. o. — Toevoeging: e. De beslissing der vraag of een gebouwd eigendom in de onmiddellijke nabijheid van een openbaren landweg is gelegen, kan mede afhangen van omstandigheden van feitelijken aard.

H. R. 8 Dec. 1926 W. 11610 p. 1 kol. 1-2.

P. 633 reg. 16—15 v. o. — De verwijzing te lezen: R. Mag. 1925 p. 16 vv.

Sluiten