Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 742.

als de juiste opvatting te aanvaarden van de op de cassatie zelf betrekking hebbende wetsbepalingen. Is zij dat niet, dan is althans ten deele het doel gemist, dat men met art. 1134 C. c. heeft willen bereiken.

P. 743 reg. 5 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 14 Mei 1928 W. 11851, N. J. 1928 p. 1155 (in een strafzaak, zie ook de concl. O. M.);

P. 743 reg. 7 v. o. — Toevoeging: H". R. 6 Febr. 1925 W. 11375, N. J. 1925 p. 377 (met noot Taverne) betrof het beding „vrijblijvend", door den lageren rechter uitgelegd als niet bedoelend het ontstaan der verbintenis te verhinderen, maar haar opheffing en dus haar voortbestaan over te laten aan hem, die het beding heeft gemaakt. Wegens die uitlegging achtte de Hooge Raad dat beding toen niet in strijd met artt. 1349, 1356 no. 1 en 1292 B. W. Taverne spreekt over de juridische constructie van gemeld beding. Die constructie staat in verband met hetgeen het maatschappelijk verkeer, en niet de wet, volgens den lageren rechter partijen ingeeft. Daarbij kan de bedoeling van partijen zijn gericht op hetgeen, met het oog op de veranderlijkheid der bij het aangaan van het contract bestaande omstandigheden, redelijkerwijze kan worden gevergd van hem, die zich aldus bindt. Om deze reden is m. i. de wensch van T. de beslissing over de bedoeling van partijen in cassatie te laten toetsen (hij laat in het midden of daarvoor wetswijziging noodig zou zijn) niet in overeenstemming met de strekking van de instelling der cassatie naar art. 99 lid 1 no. 2 R. O.

P. 743 reg. 4 v. o. — Toevoeging: In Frankrijk is die stelling nog aanvaard door Cass. civ. 25 Okt. 1927 D. hebd. 1927 p. 554. Maar uit dat arrest blijkt niet dat daarbij uitlegging in engeren zin van het contract plaats had; bet Hof paste op het contract de wet toe. Ygl. Marty 1.1. p. 355—360; Trotabas in Mélanges M. Hauriou (1929) p. 727 v. o.—731 v. b.

P. 744 reg. 10 v. b. — Na „vroegere" in te voegen: en latere

Sluiten