Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 744.

P. 744 reg. 11 v. o. — Toevoeging: Bij dit no. 238 a vgl. Marty 1. 1. p. 341—342 (1°).

P. 744 reg. 2 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 9 Nov. 1928 W. 11921, N. J. 1928 p. 1694; 6 Nov. 1924 W. 11310; 24 Maart 1922 W. 10913;

P. 745 reg. 9 v. b. — Na „ook" in te voegen: p. 195—198

P. 745 reg. 15 v. b. — Na „1924" in te voegen: Bij het arrest van 1 April 1920 vgl. H. R. 13 Maart 1925 W. 11377 (met noot S. B.), N. J. 1925 p. 561 en daarbij het in dezelfde zaak gewezen arrest H. R. van 5 Mei 1927 W. 11712, N. J. 1927 p. 1089. Naar aanleiding dezer twee arresten zie Kamphuisen in W. P. N. R. 3084 p. 62—63. Hij stelt p. 63 met het geval van 1911 geheel gelijk dat, berecht door H. R. 26 Juni 1925 N. J. 1925 p. 990. Ten onrechte, want naar het gewone èn het juridieke spraakgebruik hebben de woorden „opbrengst" en „winst" meerdere beteekenissen, het woord „faillietverklaring" niet. In den zin van art. 1378 B. W. was daarom het contract der zaak van 1911 duidelijk, dat der zaak van het arrest van 26 Juni 1925 onduidelijk. Vgl. K. zelf in no. 3085 p. 78 noot 14. Hij is het eens met de leer van den Hoogen Raad, weergegeven R. O. p. 744 onder b en niet met de leer, die implicite ten grondslag ligt aan de hier genoemde arresten van 1920 en 1927. Het komt mij voor dat laatstbedoelde leer de fout ontgaat van wat de Duitschers Prinzipienreiterei noemen en dat K. te eenzijdig let op een logisch systeem zonder genoeg rekening te houden met hetgeen het gezond verstand ons leert, dat ons in rechte geen mathematische exactheid doet verlangen. K.'s juiste opmerking dat het hier altijd is een kwestie van meerdere of mindere waarschijnlijkheid doet dan ook niet af voor onze kwestie. Want bij uitzondering kan het voorkomen dat de vraag of de gebezigde woorden duidelijk zijn, a priori kan worden beantwoord. Zoo b.v. als de lagere rechter om tot een z. i. billijke beslissing te komen wit heeft genoemd wat ieder zwart zal vinden, die de uitlegging niet

Sluiten