Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 761.

20 April 1925 W. 11400 p. 1 kol. 1-3, N. J. 1925 p. 557; 23 Febr. 1925 W. 11361 p. 2 kol. 1—2, N. J. 1925 p. 596; 15 Dec. 1924 W. 11316 p. 2—3, N. J. 1925 p. 211; 24 Juni 1918 W. 10306 p. 2 kol. 2—3, N. J. 1918 p. 798 (waaromtrent gelijke opmerking geldt als die ih Themis 1925 noot 95 over het daar bedoelde arr. H. R. van 9 Nov. 1916, zie Blok-Besier II p. 430); 13 Nov. 1911 W. 9238, R.spr. 219 § 23;

P. 761 reg. 5—4 v. o. — De verwijzing naar § 5 te lezen: Tbemis 1925 p. 364—368, van welk opstel (enz.) — Art. 347 Sv. 1886, nu art. 430 (anders geredigeerd).

P. 762 al. 2 i. f. — Na „Sv." toe te voegen: 1886.— Zie thans nog Simons, Sv. 7e dr. p. 300 —302; Blok-Besier II p. 423 —432 jis p. 186—187, speciaal p. 425—431 en de daar p. 427 vermelde arresten.

P. 763 no. 265 i. f. — Toevoeging: Ygl. buiten het geval van een klachtdelikt H. R. 19 Okt. 1925 W. 11463 p. 5 kol. 2, N. J. 1925 p. 1228.

P. 763 no. 266 i. f. — Toevoeging: Als naar de meening van den Hoogen Raad een akte geen andere uitlegging gedoogt dan de verklaring in hooger beroep te gaan en de lagere rechter heeft die uitlegging niet aan de akte gegeven, dan volgt cassatie: H. R. 26 Nov. 1928 W. 11922, N. J. 1929 p. 597. Dit is in overeenstemming met 's Hoogen Raads jurisprudentie over een met de woorden eener dagvaarding niet vereenigbare uitlegging.

Uitlegging en toetsing aan cle wet van dagvaarding en andere processtukken bij den burgerlijken rechter.

P. 764 reg. 1 v. b. — Na „vroegere" in te voegen: en latere P. 764 reg. 6 v. b. — Na „1924" in te voegen: Maar H. R. 28 Juni 1929 W. 12030, N. J. 1929 p. 1473 overwoog dat, nu de uitlegging der dagvaarding in cassatie onaantastbaar is, aldaar niet met vrucht kan worden beweerd [m. a. w. daar pjet kan \yorden onderzocht] of zij onvereenigbaar is met den

Sluiten