Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jöfl

P. 811.

P. 811 reg. 7 v. o. — Na „is" in te voegen: Sedert vgl. H. E. 4 Maart 1926 N. J. 1926 p. 380. — H. R. 7 Mei 1926 W. 11516, N. J. 1926 p. 1057, nam aan dat een cassatiemiddel, waarbij schending der wetsbepalingen over de gewijsde zaak was beweerd, mocht worden onderzocht, al was er reeds requestciviel ingesteld wegens strijd van het (nu ook in cassatie) aangevallen vonnis met een vroeger vonnis van denzelfden rechter, op welks gezag van gewijsde men zich te vergeefs had beroepen. De Hooge Raad overwoog dat geen wetsbepaling verbiedt en dat de voor het gebruik der twee rechtsmiddelen bepaalde termijnen er zelfs toe kunnen noodzaken, tegen éénzelfde rechterlijke uitspraak beide rechtsmiddelen tegelijk aan te wenden. De concl. O. M. was van oordeel dat toen request-civiel en cassatie niet op denzelfden grond steunden, maar dat was m. i. materieel wèl het geval, daar de tegenstrijdigheid der vonnissen zou zijn ontstaan door het niet erkennen van het gezag van gewijsde. Overigens meende het O. M. dat request-civiel en beroep in cassatie ook op éénzelfden grond tegelijk kunnen worden ingesteld. Het door O. M. en H. R. gebezigde argument der termijnen is dan ook niet beperkt tot het geval dat de twee rechtsmiddelen steunen op verschillende gronden. M. i. is het arrest van 7 Mei 1926 een afwijking van de R. O. p. 811 geciteerde jurisprudentie. — Vgl. ook Rb. Amsterdam 8 Maart 1926 W. 11507, N. J. 1926 p. 908.

P. 811 reg. 1 v. o. —Na „civile" lees: diss. Parijs (1924) p. 78 vv.

P. 813 reg. 3 v. o. — Art. 384 Sv. 1921, nu art. 405.

P. 814 reg. 2 v. b. — Toevoeging: en Themis 1925 p. 361—362 noot 89.

P. 814 reg. 9 v. o. — Toevoeging: 9. Het strookt niet met art. 103 in cassatie op te komen tegen een rechtsbeschouwing, waarop de rechter die daarvan [bij interlocutoir] deed blijken, in den loop van het geding, zelfs uit eigen beweging, nog kan terugkomen.

H. R. 16 Juli 1929 W. 12036 p. 2-4, N. J. 1929 p. 1568;

Sluiten