Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 818.

P. 818 no. 11. — Art. 6 Sv. 1886, zie nu art. 14.

P. 818 no. 12. — Ygl. nu art. 259 Sv.

P. 818 reg. 2 v. o. — Na „14" in te voegen: a.

P. 819 reg. 11 v. b. — Toevoeging: Ygl. H. R. 19 Maart 1928 W. 11872 (met noot D. S.), N. J. 1928 p. 764, contra O. M., dat bij verkeerde kwalifikatie art. 105 toepasselijk achtte.

b. Het onder a weergegevene geldt niet, als het vormverzuim hierin heeft bestaan dat het vonnis niet de redenen voor de opgelegde straf vermeldt, terwijl ontslag van rechtsvervolging had moeten zijn uitgesproken; dan is niet art. 106, maar art. 105 toepasselijk: H. R. 26 April 1926 W. 11524, N. J. 1926 p. 565 (implicite, de concl. O. M. uitdrukkelijk).

P. 819. reg. 17 v. o. — Na „is" in te voegen: Blok-Besier II p. 413 geven toe dat de wetsbepalingen op het bewijs geen vormvoorschriften zijn, maar nemen hier toch een vormverzuim aan. Zij meenen dat in het bedoelde geval de beslissing, als niet door de motiveering gedragen, niet behoorlijk gemotiveerd is. Zou men, dit standpunt hier innemend, niet hetzelfde kunnen zeggen bij elke schending der wet in een vonnis? — Vgl. Simons, Sv. 7e dr. p. 309. Simons in Themis 1. 1. p. 91 v. b. (euz. zie R. O. p. 819).

P. 820 reg. 10 v. b. — Toevoeging: In anderen geest zie aangaande een beslissing op een hooger beroep, enkel door een veroordeelde ingesteld, bij welke beslissing ook het punt, waarop hij was vrijgesproken, werd onderzocht, H. R. 16 Jan. 1928 W. 11872 (met noot D. S.), N. J. 1928 p. 231 (contra O. M.). De Hooge Raad paste art. 106 toe.

P. 820 reg. 14 v. o. — Na „§ 13" in te voegen: en de concl. O. M. vóór H. R. 14 Okt. 1929 N. J. 1929 p. 1628.

P. 821 reg. 6 v. b. — Toevoeging: Evenals Faure ook H. R. 9 Jan. 1925 W. 11386 (met noot H. d. J., die Fransche jurisprudentie aanhaalt), N. J. 1925 p. 352. Anders H. R. 31 Mei 1895 W. 6690, R.spr. 170 § 18, v. d. Hon. B. R. 61

Sluiten