Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 821.

p. 172, P. v. J. 1895 no. 65 (implicite) en v. Rossem, Het Ned. Wb. v. B. Rv. 2e dr. II p. 481—482.

P. 821 reg. 8—9 v. b. — Art. 375 vorig wetb. v. Sv.. zie nu art. 457.

P. 821 reg. 15 v. b. — In plaats van „Is" en „houdt" lees nu: Was en hield. Zie thans artt. 357—359 Sv.; Blok-Besier II p. 453.

P. 821 reg. 1 v. o. — Na „602" in te voegen: en de concl. O. M. vóór H. R. 9 Nov. 1925 W. 11425, N. J. 1925 p. 1194

P. 822 reg. 12 v. b. — Toevoeging: d. Naar aanleiding der onder a vermelde woorden van art. 106 zie concl. O. M. vóór H. R. 3 Maart 1930 W. 12111, N. J. 1930 p. 773 en vgl. het arrest zelf.

P. 823 reg. 9 v. b. — Toevoeging: Bij dit no. 23 vgl. BlokBesier II p. 453 v. o. —454.

P. 823 reg. 6 v. o. — Na „26" in te voegen: a.

P. 824 reg. 16 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 4 Mei 1928 W. 11846, N. J. 1928 p. 1354; 5 Mei 1927 W. 11712, N. J. 1927 p. 1089;

P. 825 reg. 5 v. b. — Toevoeging: Vgl. nog. Inl. p. 15 v. o. en H. R. 19 Maart 1928 W. 11832, N. J. 1928 p. 841: de rechter, naar wien de Hooge Raad heeft verwezen, mag niet gaan buiten de grenzen dier verwijzing. — Zie ook b.

b. Over het gezag van gewijsde der in cassatie niet of te vergeefs aangevallen beslissingen, in acht te nemen door den rechter, naar wien wordt verwezen, en bij beroep in cassatie van diens uitspraak, door den Hoogen Raad, zie H. R. 13 Febr. 1925 W. 11331 (met noot 3 H. d. J.), N. J. 1925 p. 257. Een consequentie is dat de rechter, naar wien wordt verwezen, de vóór de verwijzing niet opgeworpen kwesties ook niet heeft te onderzoeken, zie H. R. 3 Juni 1927 W. 11717, N. J. 1927 p. 1141 (inet noot P. S. p. 1146).

P. 825 no. 27. — Ygl. nu artt. 430 lid 2 en 456 Sv.

Art. 109 is afgeschaft door art. 116 wet 1925 Stbl. 308.

Léon's Rspr., II 1, R. O., 2e ged. s.

12

Sluiten