Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 826.

REGLEMENT I,

nader gewijzigd: 4° (art. 50 vervallen, invoeging van artt. 51a—d) bij Koninklijk Besluit 4 December 1925 Staatsblad 462, 5° (art. 68 gewijzigd) bij Koninklijk Besluit 30 November 1927 Staatsblad 367.

P. 828. Art. 27.

P. 829 reg. 5 v. b. — Art. 380 Sv. 1921, nu art. 401.

Art. 36.

P. 830 reg. 14 v. b. — Toevoeging: Zoo ook H. R. lODec. 1926 W. 11607, N. J. 1927 p. 545.

Art. 37.

Overeenkomstig art. 37 Regl. I en artt. 135 j° 139 Rv. wordt de rechter door de inschrijving ter rolle en niet door de dagvaarding betrokken in de zaak, die door deze inschrijving wordt onderworpen aan zijn kennisneming en beslissing.

Hof 's-Hertogenbosch 8 Juli 1929 W. 12042, N. J. 1930 p. 683. — Ygl. hierna op art. 44 en bij R. O. p. 221.

Art. 38.

De lege ferenda zie Kbuseman in R. Mag. 1928 p. 301—303.

Art. 42.

P. 830 reg. 11 v. o. — Toevoeging: In gelijken zin concl. O. M. vóór H. R. 4 Maart 1929 W. 11972 (èn de noot S. B.), N. J. 1929 p. 827.

Art. 44.

Uit art. 44 volgt dat de Rechtbank eerst door de conclusie van eisch, dus niet reeds door de dagvaarding, bekend wordt met de bij haar aangebrachte zaak.

Rb. Amsterdam 15 Okt. 1926 W. 11607, N. J. 1927 p. 135.— Ygl. boven op art. 37 en bij R. O. p. 221.

Sluiten