Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 846.

tot het faillissement hebben geleid. Was de oorzaak drankmisbruik, dan is het verzet terecht geschied.

Hof Arnhem 27 Jan. 1925 W. 11341, N. J. 1925 p. 318, Adv.bl. 8 p. 45. Ygl. v. Kuyk in Adv.bl. 8 p. 54—55, Adv.bl. 9 p. 90—91, W. 11473 p. 4 kol. 2—3. — Zie nu art. 18.

4. Vgl. boven bij p. 841 reg. 9 v. b., i. v. m. p. 840—841 (onder 1°).

5. De in artt. 5 a en b [oud, nu art. 5] den Raad van Toezicht gegeven bevoegdheid zich tegen de inschrijving te verzetten sluit zich aan bij de dien Raad in art. 11 [oud, nu art. 30] opgedragen taak zorg te dragen voor de eer van den stand der advocaten enz. Blijkens deze bepalingen gaat het Reglement er van uit dat de advocaten een eigen stand vormen met daarvoor geldende eereregelen. Dus beeft de Raad van Toezicht te waken tegen gelijktijdige uitoefening der advocatuur met een ander beroep op een wijze waardoor inbreuk zou worden gemaakt op bedoelde eereregelen. Die inbreuk zou geschieden als een advocaat aan vaste klanten van een manufactuurwinkel stalen rondbrengt om hen tot koopen te bewegen.

H. R. 25 Febr. 1926 W. 11468, N. J. 1926 p. 308, Adv.bl. 9 p. 34 (38), contra O. M. de cassatie verwerpend tegen Hof 's-Gravenhage 20 Okt. 1925 Adv.bl. 9 p. 33. — Vgl. R. O. p. 842 reg. 3 v. b. vv. (10°).

Art. 6. Vgl. art. 5 a lid 3 oud, art. 5b lid 2 oud.

Art. 7. Vgl. art. 5 & lid 3 oud.

Art. 8. Vgl. art. 5 b lid 4 oud.

Art. 10. Vgl. art. 5 c oud.

Art. 11. Vgl. art. 6 oud. — Zie R. O. p. 846 v. o.—847 nos. 1—3.

P. 847 reg. 13 v. b. — In plaats van „11" lees nu: 30

Art. 12. Vgl. art. 8 oud. — Zie R. O. p. 847—848 v. b. nos. 1—2.

Art. 13. Vgl. art. 4 §§ 2—4 oud. — Zie R. O. p. 843 v. o.—844 v. b.

Sluiten