Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 406.

lingen, ook art. 394 W. v. K. omvattend, is nu geworden de (nader in te voeren) wet van 14 Juni 1930 Stbl. 240.

P. 429, Suppl. p. 100 reg. 10 v. o. — Na no. 2 A toe te voegen: 2 B. Over het geval eener vordering tot ontruiming, steunend op de contractsbepaling dat de verhuurder bij wanprestatie des huurders de huur als ontbonden mag beschouwen, zie Rb. Roermond 25 Juli 1929, te vermelden hierna bij R. O. p. 455 reg. 1 v. o.

P. 455 reg. 1 v. o., Suppl. p. 105 reg. 5 v. o. — Toevoeging: Rb. Roermond 25 Juli 1929 N. J. 1930 p. 833 meende dat in het zooeven bij R. O. p. 429 aangegeven geval, al is er dan geen vordering tot ontbinding ingesteld, toch art. 42 en niet art. 41 toepasselijk is, omdat de vordering tot ontruiming steunt op wanprestatie en op de (door eischer toegepaste) ontbinding, niet op beëindiging der huur door tijdsverloop. M. i. is dat een bedenkelijke analogische uitbreiding van art. 42. En art. 41 zegt niet dat voor zijn toepassing de huur bepaald door tijdsverloop moet zijn beëindigd.

P. 484 reg. 2 v. b., p. 485 no. 10 i. f. (Suppl. p. 110 reg. 12 v. o.), p. 485 no. 11 i. f. — Toevoeging: Vgl. H. R. 28 April 1930 W. 12139, N. J. 1930 p. 845.

Sluiten