Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ü1J

P. 8.

no. 857. Zijn kritiek p. 534 noot i. f. en p. 545 v. b. no. 842 i. f. tegen Holliger op dit punt gericht is in. i. onjuist.

P. 9 noot reg. 7 v. b. — Na „voegen" in te lasschen: Ygl. Roguin 1. i. III p. 546 noot, p. 608—611 (nos. 901—902).

P. 9 noot reg. 8—10. — O. Mayer 3e dr. II p. 30; Hatschek 5e—6e dr. (1927) Lehrbuch p. 283 v. o.

P. 9 noot al. 1 i. f. — Toevoeging: Laband, Staatsr 5e dr. III

p. 372 noot 1 noemt het huwelijk publiekrechtelijk van aard, maar bedoelt blijkens den tekst dat het huwelijk is van openbare orde. Tegen hem vgl. A. R. W. 16 p. 419. — Vgl. nog Eyssell in Feestbundel Justitia et Amicitia (1910) p. 9—10, wiens meening dat de bewaarder van art. 450 Rv. een publiekrechtelijke funktie heeft, ik niet deel. Ambtenaren en partikulieren kunnen identieke werkzaamheden verrichten. M. i. verplicht art. 450 den deurwaarder tot een privaatrechtelijke lastgeving.

P. 14 reg. 8 v. b. — Bij „zelf" een noot: In 1924 heeft de Hooge Raad zijn jurisprudentie op dit punt inzoover gewijzigd dat hij nu artt. 1401 vv. B. W. op bestuursdaden ook toepasselijk acht, als er geen burgerlijk recht is geschonden: H. R. 20 Nov. 1924, geciteerd bij Inl. R. O. p. 433 reg. 8 v. o. Zie het aldaar en het bij Inl. R. O. p. 580 reg. 3 v. o. en bij p. 612 noot aangeteekende.

P. 16 noot reg. 2—4. — Oppenheih, 5e dr. I p. 781—782 met noot v. d. Pot; Suyling, Inl. I, le dr. (1918—1920), 2e dr. I, 1 (1927) p. 43-49.

P. 16 noot reg. 8. — Na „26" in te voegen: (tegen v. Blom's leer, ook voorgestaan door Burckhardt, Organisation, hieronder geciteerd, zie Roguin III p. 514 in no. 812 met noot 1; Gysin in Zeitschr. f. öff. Recht 9 p. 505—506).

P. 16 noot reg. 11 i. f. in te voegen: waarbij vgl. Kranenburg, Ned. Staatsrecht 3e dr. II p. 58—61.

P. 16 noot al. 1 i. f. — Toevoeging: v. d. Vlugt (bij p. 7 geciteerd) p. 175—252 ja p. 607; Zevenbergen (bij p. 1 geci-

Sluiten