Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 37.

noodig zou zijn. Deze bewering gaat m. i. reeds hierom niet op, daar § 395 BGB. niet enkel op publiekrechtelijke vorderingen van of tegen den Staat, enz. ziet en de H. R. toch wel art. 1465 B. W. toepasselijk zal achten bij twee tegenover elkaar staande burgerrechtelijke inschulden van en tegen een publiekrechtelijk lichaam. Buitendien laat juist voor deze inschulden de Fransche jurisprudentie ook zonder wettelijke bepaling denzelfden regel gelden die het BGB. uit het vroegere recht heeft overgenomen. — Het historisch argument, dat de Hooge Raad den doorslag liet geven, kan wel dienen om aan te toonen dat men zich niet op den aanhef van art.1465 mag beroepen ten bewijze dat compensatie ook voor publiekrechtelijke inschulden door de wet wordt geboden. Maar dat zij voor die inschulden naar vroegere opvattingen was verboden dunkt mij geen afdoende reden dit nog te blijven aannemen ook als daarvoor geen andere dwingende grond is aan te voeren. Over de vraag of de Hooge Raad hier terecht zijn historisch argument den doorslag liet geven kan men verschillend oordeelen. Vos, die het met den H. R. eens is (zie W. v. G. 3 no. 17,1° en W. P. N. R. 2855, waarbij vgl. Maandbl. v. d. inrichting voor gemeenteadministratie 1923 p. 177—178), redeneert bovendien dogmatisch. Hij beroept zich op de procesregeling in belastingzaken en op de instelling der compensatie als eene van burgerlijk recht, in het B. W. geregeld. Of dit laatste hier afdoet is echter juist betwist. En ook als men de regeling van het B. W. hier beperkt acht tot het geval dat de wederzijdsche schulden beide civielrechtelijk zijn, dan is compensatie tusschen publiekrechtelijke schulden onderling of met een civielrechtelijke toch denkbaar. Omdat ook, als men die aanneemt, liquiditeit wel vereischt zal zijn, is compensatie toch uitgesloten in het geval dat er aanleiding bestaat tot verzet tegen een dwangbevel. Daarom bewijst Vos' beroep op de procesregelen in belastingzaken niets voor het geval dat er wèl liquiditeit is. — Rb. Rotterdam 6 April 1925 W. 11391,

Sluiten