Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 37.

N. J. 1925 p. 1280, volgde het arr. H. R. van 1924.

E. M. M. in noot N. J. 1927 p. 215 op H. R. 23 Dec. 1926 betreffende subrogatie; vgl. de concl. O. M. en zie V. in W. v. G. 6 p. 93—94) merkt terecht op dat noch dit arrest (N. J. p. 213, W. 11624, met noot H. d. J., tegen wien zie V. 1.1.) noch dat van 11 April 1924 heeft beslist dat de bepalingen van het B. W. over het te niet gaan van verbintenissen nooit toepasselijk zijn op publiekrechtelijke vorderingen. Vgl. nog Scheltema in R. Mag. 1927 p. 244—245.

P. 37 noot 65 reg. 5—4 v. o. — Fleiner 8e dr. p. 425—426.

P. 38 noot .65 reg. 8—9. — Malachow 1. 1. p. 279—299; zie speciaal p. 284, 287—292. Voor Duitsche jurisprudentie vgl. Stier-Somlo in Handwörterb. der Rechtswissenschaft I (1926) v° Aufrechnung no. 8. Vgl. nog Meier-Branecke 1.1. p. 273—278; H. Schumann, Können privatrechtliche und öffentlichrecbtliche Forderungen gegeneinander aufgerechnet werden ? diss. Heidelberg 1917, speciaal p. 35—46, 53—89; E. H. Perreau, Technique de la jurisprudence... I (1923) p. 88—89, over de Fransche praktijk, waaromtrent echter niet enkel de oudere Fransche schrijvers (ook Aubry et Rau, door Vos 1. 1. geciteerd en Baudry-Lacantinerie, Traité ... 3e dr. XIV, 1908 nos. 1857— 1859) maar eveneens het in 1920 verschenen deel van Dalloz, Rép. pratique v° Obligations nos. 1179-1181, een andere voorstelling geven.

P. 38 noot 65 reg. 14. — Na „is" in te voegen: Vgl. W.P. N. R. 2855 en Maandbl., bij p. 37 geciteerd.

P. 39 noot 69 reg. 2 v. o. — Na „enz.)" in te voegen: Vgl. nog K. Friedrichs, Der Allgem. Teil des Rechts... (1927); BuRCKHARDTin de bij p. 17 noot al. 1 geciteerde Festgabe p. 59—68.

P. 40 noot 71. — Hatschek 5e—6e dr. (Lehrb.) p. 433—435. — Toevoeging: Vgl. Scheltema in R. Mag. 1927 p. 252—256.

P. 41 reg. 4 v. b. — Bij „bewezen" een noot: Vgl. het schrijven van Ged. Staten Limburg 18 Maart 1927 G.st. 3940 (3°), W. v. G. 6 p. 112.

Sluiten