Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bi]

P. 60.

p. 60. § 4. Diverse gevallen.

P. 61, b i. f. — Toevoeging: Deze overeenkomst legde de verplichting op tot die inrichting. Men zou kunnen meenen dat dit anders was in het contract van 1860, waarover Hof Amsterdam 13 Mei 1924 W. 11205, N. J. 1925 p. 62, uitspraak had te doen. Bij dat contract had Haarlem een gebouw afgestaan aan het Rijk met beding dat dit gebouw voor geen ander doel mocht worden bestemd dan voor een garnizoen. Dat was meer negatief uitgedrukt dan de positief luidende schrifturen der p. 61 vermelde afspraak van 1825. Maar de kennelijke bedoeling der overeenkomst van 1860 was eveneens zulk een positieve verplichting op te leggen. Het Amsterdamsche Hof nam in 1924 aan dat de overeenkomst civielrechtelijk was op het bij Gr11 p. 47 genoemde motief en op overweging dat, al moest het gebouw worden gebruikt voor den openbaren dienst, dit geen bezwaar was, evenmin als ingeval het Rijk een gebouw huurt om er een postkantoor in te vestigen. Die vergelijking gaat niet op, daar het Rijk bij zulk een huur zich niet tot gezegde vestiging verplicht. Echter zou ik meenen dat in gevallen als in 1865—1866 en in 1924 berecht, de overeenkomst hierom niet publiekrechtelijk is, omdat zij geen regeling der bestuurstaak tot inhoud heeft, al verplicht zij tot een bepaald gebruik voor de bestuurstaak.

P. 64 h i. f. — Toevoeging: Over een privaatrechtelijk bedijkingscontract uit de achttiende eeuw zie Rb. Middelburg 19 Mei 1926 W. 11583.

P. 64 noot 116. — Toevoeging: Vgl. bij wijze van analogie Hanseatisch Oberlandesgericht 27 Mei 1925 Hanseat. Rechtszeitschr. 8 kol. 618—626: hoewel de positie van een dwangloods publiekrechtelijk is, bestaat er tusschen hem en den reeder een privaatrechtelijk contract.

P. 64 noot 117. — Na „voegen" in te lasschen: J. J. F. Aleva Delging van staatsschuld, diss. Leiden 1915 p. 94—116;

Sluiten