Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 75.

P. 75 tekst, reg. 3 v. o. — Bij „aannam" een noot: Dit schijnt Rb. Amsterdam 11 Febr. 1927 "W. 11722 over het hoofd te hebben gezien in de overweging dat tijdens de samenstelling van het Wetb. v. B. Rv. de verhouding van een ambtenaar tot het publiekrechtelijk lichaam, dat hem heeft aangesteld, evenals thans als publiekrechtelijk werd beschouwd.

P. 75 noot 133 reg. 2. — Na „370" in te voegen: De hier in den tekst bedoelde opvatting is nog te vinden bij Rb. 's-Gravenhage 7 Mei 1929 W. 12063, N. J. 1929 p. 816. Daar de aanspraken van alle daar bedoelde weduwen naar de wet van 1913 Stbl. 301 gericht zijn tegen het publiekrechtelijk lichaam als zoodanig, zijn ze m. i. publiekrechtelijk, al omvat art. 2A dier wet ook de gemeentewerklieden. Hoe de Rechtbank een in het gegeven geval (tengevolge van een verzuim der gemeente) niet ontstane aanspraak als deel van het vermogen der weduwe kon aanmerken, is raadselachtig. — Het slot van dien reg. 2 der noot 133 te lezen: Vgl. op het in den tekst besproken punt de

P. 75 noot 133 i. f. — O. Mayer 3e dr. I p. 114—115 noot 2, waarbij zie p. 174 met noot 6. — Toevoeging: Vgl. nog Roguin 1. 1. III p. 558—563; Friedrichs in A.nnalen des Deutschen Reichs 1921 p. 217, die p. 235 noot 100 Duitsche jurisprudentie en litteratuur vermeldt.

P. 76 noot 134 al. 1 i. f. — Toevoeging: Kranenburg, Ned. Staatsrecht I 3e dr. p. 342 vv.; Carp in W. 11076 p. 4; Sybenga in W. 11159 p. 3—4; Rb. 's-Gravenhage 4 Juli 1924 W. 11400 en de bij Grn. p. 74 noot vermelde jurisprudentie.

P. 76 noot 134 reg. 4 v. o. — Na „107" in te voegen: Vgl. RG. 12 Juni 1923 J. W. 1924 p. 50—51 en noot; A. ö. R. 56 p. 321—378, speciaal p. 334—360. In Oostenrijk Kelsen, Allgem. Staatslehre p. 273—275 jis p. 241, 279 —273; Hanseate. Rechtszeitschr. 9 kol. 809—812. — Haukiou lle dr., respektievelijk p. 589—597, 622—624, 589 noot; Duguit 2e dr. I p. 315—316, III p. 95—125 jis p. 1—3: Jèze, Les principes...

Sluiten