Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bil

P. 87.

Verwalt.recht le dr. p. 248 v. o. — 250 v. b., 491—492 v. b., 505—507;

P. 87 noot, reg. 5 v. o. — Na „813" in te voegen: 9 Jan. 1928 E. Z. S. 108 p. 177.

P. 87 noot i. f. — Toevoeging: Vgl. Roguin 1.1. III p. 593—608, die p. 599 nog een Zwitsersch arrest van 1876 vermeldt, dat de privaatrechtelijke opvatting heeft gehuldigd. Verder zie Andersen (bij Grn p. 27 geciteerd) p. 335—338.

P. 88 noot 152. — Toevoeging: Vaak noemt men ze „voorwaarden". Vgl. noot 5 H. d. J. in W. 11216 op H. R. 25 Jan. 1924.

P. 88 noot 153. — Toevoeging: Rb. Maastricht 29 Nov. 1923 W. 11137, N. J. 1924 p. 543, hield voor privaatrechtelijk het bij een vergunning tot het bouwen van een kaaimuur langs een kanaal, door den Min. v. Waterstaat verleend, gemaakte beding dat bij opzegging der vergunning de houder daarvan verplicht is een bepaalde geldsom bij den Ontvanger te storten voor de verdere onderhoudskosten. — M. i. deelt deze verplichting als accessoir van de publiekrechtelijke vergunning haar aard.

P. 89 reg. 14 v. b. — Bij „breekt" een noot: Vgl. von Schmid in W. 11089 p. 4, tegen wien Red. in W. 11092 pag. 4 kol. 3.

P. 90 noot 154 reg. 2. — Toevoeging: Hu art in Staatsrechtelijke Opstellen voor Krabbe II p. 195—196 noot 2 neemt met het oog op art. 175 Grw. een optreden als eigenaar aan, wat m. i. ook voor het Rijk betwistbaar is, terwijl* de andere publiekrechtelijke lichamen met dat grondwetsartikel niet te maken hebben.

P. 90 noot 155. — Toevoeging: Vgl. Rutgers in H. N. J. V. 1927 1,2 p. 40—42; Roguin 1. 1. III p. 597—599 jis p. 603—604.

P. 94 noot 164. — Toevoeging: Hof Amsterdam 24 Nov. 1925 W. 11448, N. J. 1926 p. 1196, hield het z.g. precario te Amsterdam (vgl. R. O. p. 313—314) voor publiekrechtelijk, blijkens W. v. G. 9 p. 45—47 terecht.

Sluiten