Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OLJ

P. 99.

P. 99 al. 2 i. f. — Toevoeging: Vgl. voor de Oosterbeeksche gasconcessie implicite Rb. Arnhem 26 Juni 1924 N. J. 1925 p. 109.

P. 99 noot 176. — Toevoeging: J. J. Boasson, De rechter tegenover de vrijheid der administratie, diss. Leiden 1911 p. 122—125.

P. 103 noot 185. • — O. Mayer. In den 3n dr. is deze plaats vervallen.

P. 105 noot, reg. 4. — Na „vergunningen" in te voegen: Anders voor een vergunning tot vervening en daaraan verbonden verplichting tot betaling van slikgeld, waartoe de verkrijger der vergunning zich ingevolge h/3t betrekkelijke provinciale reglement schriftelijk moest verbinden, Rb. Leeuwarden 12 Juni 1924 N. J. 1925 p. 425.

P. 106 noot 190. — O. Mayer 3e dr. II p. 102 — 103, 263. — Toevoeging: Vgl. Roguin 1. 1. III p. 604—608, behoudens enkele afwijkingen in den geest van het Grn p. 106 gezegde. Hij denkt er anders over (p. 605 v. b.) als de concessie aan een publiekrechtelijk lichaam is verleend. Maar ook dan kan de concessionaris tegenover derden in gelijke verhouding staan als een partikulier, wien een concessie is verleend, al is dat niet het geval, als de concessie mocht zijn gegeven met het oog op de positie van den concessionaris als publiekrechtelijk lichaam. Terecht zegt R. p. 605 dat, krijgt de concessionaris publiekrechtelijke bevoegdheden, deze hem zijn gedelegeerd; vgl. Grn noot 12. Maar onjuist is m. i. zijn stelling p. 607 dat, als de concessiegever zich medezeggenschap in de onderneming heeft voorbehouden, de verhouding van den concessionaris tot derden publiekrechtelijk moet zijn: dan plaatst de concessiegever zich bij het uitoefenen van zijn medezeggenschap op het standpunt van een partikulier, tenzij blijkt dat het anders is bedoeld.

P. 108 noot 194. — Fleiner 8e dr. p. 347. Toevoeging: Zie ook Süyling Inl. II, 1 (1923) p. 133 en de daar in noot 2 aangehaalde schrijvers. Voor een speciaal geval vgl. G.st. 3796 (10°).

P. 114 noot 209 reg. 1. — Na „33" in te voegen: De Provin-

Sluiten