Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo eenigszins verzoenend en berouwvol, maar integendeel... buitengewoon prikkelbaar. Hij was spraakzaam, onrustig; met ieder, die hem ontmoette begon hij belangstellend een gesprek, maar steeds over zoo verschillende en onverwachte onderwerpen, dat er met geen mogelijkheid achter te komen was, wat hem thans zoo verontrustte. Bij oogenblikken was hij opgewekt, maar vaker in gedachten, overigens zonder zelf juist te weten waarover; plotseling begon hij over iets te spreken: over de Jepantschins, over den vorst, over Lebedef, en eensklaps brak hij af en hield heelemaal op, terwijl hij op verdere vragen enkel met een stompzinnigen glimlach antwoordde ; hij merkte zelfs niet op dat men hem iets vroeg, hij glimlachte maar. Hij had den vorigen nacht kermend en steunend doorgebracht en Nina Alexandrovna geplaagd, die hem den heelen nacht heete omslagen gemaakt had; tegen den ochtend was hij eensklaps ingeslapen, had vier uur doorgetrokken en was wakker geworden in een zeer heftigen en akeligen aanval van hypochondrie, waarvan het eind de strijd met Hippolyt geweest was en de „vervloeking van zijn huis". Ook had men opgemerkt, dat hij die drie dagen last had van een geweldig eergevoel, en tengevolge daarvan ook van een bizonder gauw op zijn teenen getrapt zijn. Kolja hield maar vol, dat al de narigheid kwam van het niet drinken, wat hij zijn moeder verzekerde, en misschien ook omdat hij Lebedef miste, met wien de generaal in den laatsten tijd dikke vrienden was geweest. Maar voor drie dagen had hij eensklaps met Lebedef kwestie gekregen en had met hem in vreeselijke woede gebroken; zelfs had er zich een scène met den vorst afgespeeld. Kolja had den vorst om opheldering gevraagd, en was eindelijk gaan vermoeden, dat ook deze iets had wat hij niet zeggen wilde. Indien er al een of ander bizonder onderhoud tusschen Hippolyt en Nina Alexandrovna had plaats gevonden, gelijk Ganja zoo overtuigd had aangenomen, dan was het toch vreemd, dat dit boosaardig heerschap, dat door Ganja ronduit als zwetser betiteld was, er blijkbaar geen genoegen in had gevonden, om op

Sluiten