Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer laat op den avond de klanken van een plotseling en onverwacht aangeheven Bacchantisch krijgslied tot hem doorgedrongen en had hij dadelijk de heesche bas van den generaal er in herkend. Maar het uitgegalmde lied hield niet aan, plotseling werd het stil. Daarna hield een geweldig bezield en naar alle teekenen dronken geredeneer nog ongeveer een uur aan. Men kon vermoeden, dat de zich boven vermakende vrienden elkaar omhelsden; en eindelijk was er een die snikte. Dan was plotseling een heftig getwist gevolgd, dat ook weer snel en bruusk afbrak.

Gedurende al dien tijd was Kolja in een eigenaardige bezorgde stemming geweest. De vorst was meestal niet thuis en kwam soms zeer laat terug ; steeds werd hem geboodschapt, dat Kolja hem den ganschen dag gezocht en naar hem gevraagd had. Maar wanneer Kolja hem ontmoette kon hij niets bizonders zeggen, behalve, dat hij beslist „ontevreden" was over den generaal en diens tegenwoordig gedrag; „ze sjouwen rond, bedrinken zich hier dichtbij in het café, omarmen elkaar en schelden mekaar op straat uit, vuren mekaar aan en kunnen niet scheiden." Als de vorst de opmerking tegen hem maakte, dat het vroeger toch ook bijna dagelijks net zoo ging, wist Kolja absoluut niet, wat hij daarop zou antwoorden en hoe hij zou duidelijk maken waarin dan toch zijn huidige onrust bestond.

Toen de vorst op den morgen na den Bacchantischen zang en den twist ongeveer om elf uur uit wilde gaan, verscheen eensklaps de generaal, die ergens hevig door opgewonden, bijna ontdaan was, bij hem.

— Ik heb al sinds lang de eer en gelegenheid gezocht, hooggeachte Ljev Nikolajewitch, om u te ontmoeten, al sinds lang, heel lang, mompelde hij, terwijl hij de hand van den vorst zoo stevig drukte dat het bijna pijn deed, — heel, heel lang.

De vorst noodigde hem uit om plaats te nemen.

— Nee, ik zal niet gaan zitten, bovendien houd ik u maar op, ik .... een andermaal. Ik geloof, dat ik u tegelijk kan

Sluiten