Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorst Lebedef verzoeken een oogenblik bij hem te komen.

Lebedef verscheen subiet, hij „rekende het zich tot een eer , zooals hij dan ook dadelijk bij zijn binnenkomen begon; als was er geen schaduw van over, dat hij zich drie dagen lang scheen verstopt te hebben en duidelijk een ontmoeting met den vorst had ontloopen. Hij ging op den rand van den stoel zitten, met grimassen, met glimlachen, met lachende en loerende oogen, met handengewrijf en met schijn van naïef afwachten alsof hij iets zou hooren, iets als een ontzaglijke mededeeling die hij allang verbeidde en die iedereen al geraden had. Weer deed het den vorst onaangenaam aan; het werd hem duidelijk, dat allen opeens iets van hem waren gaan verwachten, dat allen hem aanzagen alsof ze hem met t een of ander wilden gelukwenschen, met zinspelingen, glimlachen, knipoogjes. Keiler was al drie keer een oogenblik komen aanloopen, ook al met het klaarblijkelijk verlangen om geluk te wenschen; telkens was hij geestdriftig en onklaar begonnen, had niets ten einde gesproken en was snel verdwenen. (Hij was in de laatste dagen ergens hevig aan den drank en spektakelde in een biljardgelegenheid.) Zelfs was ook Kolja, ondanks zijn verdriet, twee keer tegen den vorst geheimzinnig beginnen te spreken.

De vorst vroeg Lebedef ronduit en eenigermate geprikkeld, wat hij van den huidigen toestand van den generaal dacht, en waarom deze in zoo'n onrust verkeerde ? Hij vertelde hem met enkele woorden wat op dien dag was voorgevallen.

— Ieder heeft zoo zijn onrust, vorst, en.... vooral in

onze vreemde en onrustige eeuw zoo is het, antwoordde

Lebedef eenigszins nuchter en zweeg dan beleedigd, als iemand, die in zijn verwachtingen ten zeerste is bedrogen.

-Wat een filosofie! glimlachte de vorst.

— Filosofie is noodig, zou in onze eeuw zeer noodig zijn, namelijk praktisch toegepast, maar men veracht haar, dat is de zaak. Ik van mijn kant, hooggeachte vorst, ofschoon ik in een zeker u bekend punt vereerd ben geworden met uw vertrouwen, zij het ook tot een bepaalde grens en geenszins

Sluiten