Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij in den steek en ging een anderen kant uit. Eerst 's avonds in het café kwamen we weer samen.

— Maar ge hebt dan toch ten slotte de portefeuille onder den stoel weggenomen?

— Nee; zij is in dien nacht van onder den stoel verdwenen.

— En waar is ze dan nu?

— Hier, lachte Lebedef eensklaps, terwijl hij zich in zijn volle lengte van zijn stoel verhief en den vorst vriendelijk aanzag, — plotseling was ze hier, in het pand van mijn eigen jas. Kijk, zie zelf maar, voel maar.

Inderdaad had zich in het linker jaspand vlak van voren, een soort in 't oog loopende dikte gevormd, en op het gevoel kon men direct vermoeden, dat daar een leeren portefeuille zat, die uit een gescheurde zak daarheen was gegleden.

— Ik heb ze er uit gehaald en nagekeken; alles was er. Toen heb ik ze er weer in gedaan en loop nu zoo van gistermorgen af, draag ze in mijn pand, ze slaat zelfs tegen mijn been.

— En ge hebt ze toch niet ontdekt ?

— En ik heb ze toch niet ontdekt, hè, hè! En stel u voor, hooggeachte vorst, hoewel het geval niet zooveel van uw bizondere aandacht waardig is; altijd zijn mijn zakken heel, en daar is eensklaps in één nacht zóó'n gat! Ik ging dat toen wat nader bekijken, 't was alsof iemand er met een pennemes in gesneden had; dat is toch bijna ongeloofelijk ?

— En .... de generaal ?

— Den heelen dag was hij boos, zoowel gister als vandaag, vreeselijk ontevreden; nu eens is hij lustig en meesleepend Bacchantisch, of zoo gevoelvol dat hij huilt, en dan maakt hij zich plotseling kwaad, ja zoozeer, dat ik er zelfs bang voor werd, waarachtig; ik toch, vorst, ben geen krijgshaftig mensch. Daar zitten we gisteren in het café en daar komt als toevallig te zien hoe mijn jaspand opbolt, een hooge berg; hij kijkt mij scheel aan en wordt boos. Al sinds lang ziet hij mij niet meer recht in de oogen, misschien alleen nog

Sluiten