Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar man alleen had, op, om van den vorst definitieve ophelderingen aangaande Nastasja Filippovna te vragen.

Iwan Fjodorowitch bezwoer, dat dit alles enkel „uitvallen" waren, die voortkwamen uit Aglaja's „beschroomdheid" ; dat, indien vorst Schtsch. niet over een huwelijk was beginnen te spreken, er geen uitval zou zijn geweest, omdat Aglaja zelf ook wel wist, zeker wist, dat dit allemaal niets was dan laster van slechte menschen en dat Nastasja Filippovna met Rogoshin zou trouwen, dat de vorst niet alleen niet tot haar in betrekking stond, maar niets met haar te maken had; en dat er zelfs, als dan de volle waarheid gezegd zou worden, nooit iets tusschen hen geweest was.

De vorst was echter door niets verontrust en zijn gelukzaligheid hield aan. O zeker, ook hij merkte soms in Aglaja's blikken iets als duisternis en ongeduld, maar hij geloofde liever aan iets anders en het duister verdween vanzelf. Nu hij eenmaal vertrouwde kon hij in niets meer twijfelen. Misschien was hij zelfs wel al te gerust; zoo scheen het tenminste aan Hippolyt, toen die hem eens toevallig in het park ontmoette.

— Nu, had ik geen gelijk, toen ik u zei, dat ge verliefd waart ? begon hij, zelf op den vorst toekomend en hem staande houdend. Deze reikte hem de hand en wenschte hem geluk, dat hij „er zoo goed uitzag." De zieke scheen ook opgefleurd, zooals dat zoo typisch is voor teringpatiënten. Hij was eigenlijk op den vorst afgegaan om hem iets venijnigs te zeggen over zijn gelukkig uiterlijk; maar dan werd hij dadelijk afgeleid en sprak over zichzelf. Hij begon te klagen, klaagde lang en veel, bovendien tamelijk onsamenhangend.

— Ge kunt niet gelooven, besloot hij, — hoe verschrikkelijk geprikkeld, kleinzielig, egoïstisch, ijdel en ordinair zij allen daar zijn; gelooft ge wel, dat ze mij alleen hebben opgenomen onder voorbehoud, dat ik zoo gauw mogelijk zou sterven, en daar zijn ze nu allen duivelsch omdat ik niet sterf maar mij integendeel beter voel. Komedie ! Ik wil wedden, dat ge mij niet gelooft!

De vorst wilde hem niet tegenspreken.

46

Sluiten