Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar aan bij Nina Alexandrovna, haar elk oogenblik verzekerend, dat „hij, hij zelf oorzaak was en niemand dan hij... enkel uit het plezier der nieuwsgierigheid"... en dat „de ontslapene (zoo meende hij hardnekkig den nog levenden generaal te moeten noemen) zelfs een zeer geniaal mensch was geweest!" Hij bestond met bizonderen ernst op de genialiteit, alsof daaruit op dat moment een of ander ongewoon voordeel kon ontstaan. Nina Alexandrovna sprak hem, toen zij zijn oprechte tranen zag, eindelijk zonder eenig verwijt en zelfs met iets liefkozends, toe: „Nu, God zij met u, kom, huil niet, kom, God zal u vergeven !" Lebedef was door die woorden en hun toon zoo getroffen, dat hij den heelen avond zelfs niet van Nina Alexandrovna wijken wilde (en alle volgende dagen, tot aan den dood van den generaal, bracht hij bijna van den morgen tot den avond in hun huis door). In den loop van den dag kwam er tweemaal een bode van Lisaweta Prokofjevna bij Nina Alexandrovna, om naar den toestand van den zieke te hooren. En toen de vorst 's avonds om negen uur in het salon der Jepantschins verscheen, dat al vol gasten was, begon Lisaweta Prokofjevna hem dadelijk naar den zieke te vragen, met belangstelling en in bizonderheden, terwijl zij Bjelokonskoja ernstig op haar vraag, „wat dat voor een zieke en wat dat voor een Nina Alexandrovna was? antwoord gaf. Dit deed den vorst zeer aangenaam aan. Hij sprak zelf, bij die verklaringen aan Lisaweta Prokofjevna „goed", gelijk later Aglaja's zusters zich uitten: „bescheiden, zacht, zonder overbodige woorden, zonder gebaren, met waardigheid; hij kwam keurig binnen en was uitstekend gekleed," en niet alleen, dat hij niet „op den gladden vloer uitgleed", zooals hij den avond te voren gevreesd had, maar hij maakte zichtbaar op allen zelfs een prettigen indruk.

Van zijn kant merkte hij, terstond toen hij zat en rondzag, op, dat dit heele gezelschap niets had van de vizioenen, waarmee hem gisteren Aglaja had verschrikt, noch van de bange droomen, die hem in den nacht waren verschenen.

Sluiten