Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwelde hem al lang, hoewel hij toch ook in die ziel geloofde. En nu moest dat alles vandaag tot een oplossing, tot een

openbaring komen. Ontzettende gedachte! En weer die

vrouw" ! Waarom was het hem altijd geweest alsof die vrouw op het allerlaatste oogenblik zou verschijnen en zijn heele leven stukbreken als een vergane draad? Dat hem dit altijd zoo was voorgekomen, daar zou hij nu, al ijlde hij half, een eed op willen doen. Indien hij den laatsten tijd geprobeerd had haar te vergeten, dan was dat enkel omdat hij bang voor haar was. Hoe was het dan toch : had hij die vrouw lief of haatte hij haar? Hij had zich die vraag vandaag ook niet eenmaal gesteld; daar was zijn hart zuiver in; hij wist wie hij liefhad.... Hij vreesde niet zoozeer de ontmoeting van die beiden, noch de gronden van die ontmoeting, noch de uitkomst ervan, wat die ook mocht zijn, hij vreesde Nastasja Filippovna zelve. Hij herinnerde zich later, na enkele dagen, hoe hij in die koortsige uren bijna aldoor haar oogen, haar blik had gezien, haar woorden had gehoord, vreemde woorden, al was hem na die koortsige droevige stonden ook niet heel veel in de herinnering gebleven. Hij wist er bijvoorbeeld nauwelijks van, dat Wjera hem eten gebracht en dat hij gegeten had, hij wist niet of hij na het eten geslapen had of niet ? Enkel wist hij dat hij op dien avond alles eerst weer volkomen klaar was beginnen te onderscheiden, toen Aglaja plotseling bij hem het terras was opgekomen en hij van den divan opsprong en haar tot midden in de kamer tegemoet ging; dat was om kwart over zeven. Aglaja was geheel alleen, ze was eenvoudig gekleed en had als in der haast, maar iets duns omgedaan. Haar gezicht was weer bleek, maar haar oogen schitterden met een hellen en droogen glans; hij had nog nimmer zulk een uitdrukking bij haar gezien. Zij zag hem opmerkzaam aan.

— Ge zijt geheel gereed, merkte ze zacht en schijnbaar rustig op, — met uw jas aan en uw hoed in de hand, men heeft u dus gewaarschuwd, en ik weet wel wie: Hippolyt?

— Ja, hij zei mij..., mompelde de vorst, bijna halfdood.

Sluiten