Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn hemel! dat is immers begrijpelijk! Maar dat is de zaak niet, beste vorst, doch iets anders: was dat waar, was dat oprecht in uw gevoel, was dat natuur of was dat enkel een verstandelijke geestdrift? Wat dunkt u: de vrouw in den tempel, ook zulk een vrouw, vond vergeving, maar er werd toch niet tot haar gezegd, dat zij goed handelde, en alle eer en achting waardig was? Heeft u dan uw eigen gezonde verstand in deze drie maanden niet verteld, hoe de zaak stond? Laat haar dan onschuldig zijn — ik zal daar niet over oordeelen omdat ik het niet wil, — maar kunnen al haar lotgevallen zoo'n onverdragelijken duivelschen trots in haar rechtvaardigen, zoo'n brutaal, hebzuchtig egoïsme? Neem me niet kwalijk, vorst, ik wind me op, maar ....

— Ja, dat is alles misschien wel zoo; misschien hebt ge gelijk . . . , mompelde de vorst weer ; .— zij is beslist zeer prikkelbaar, en ge hebt zeker gelijk, maar ....

— Zij verdient medelijden ? Dat wildet ge zeggen, mijn goede vorst ? Maar was het dan mogelijk dat ge terwille van dat medelijden en om haar te bevredigen, het andere hooge en reine meisje te schande maakte en haar vernederde voor d i e trotsche, haatvervulde oogen ? Hoe ver moet dan het medelijden wel reiken ? Maar dat is toch een ongeloofelijke overdrijving! Kan men dan, wanneer men van een meisje houdt, haar zoo vernederen voor haar mededingster, haar verlaten voor de andere, onder de oogen dier andere, nadat men haar zelf eerlijk heeft ten huwelijk gevraagd .... en ge hebt haar immers ten huwelijk gevraagd, ge hebt het toch gezegd in het bijzijn harer ouders en zusters! Vergun mij u de vraag te stellen of ge na dit alles nog een man van eer zijt, vorst ? En ... . en hebt ge misschien het goddelijke meisje niet misleid, toen ge haar verzekerdet, dat ge haar liefhadt?

■— Ja, ja, ge hebt gelijk, ach, ik voel, dat ik schuldig ben! zei de vorst in onuitsprekelijk verdriet.

— Maar is dat dan voldoende? riep Jevgeny Pavlowitch verontwaardigd uit. — Is men dan klaar met uit te roepen: „Ach, ik ben schuldig!" Ge zijt schuldig maar ge houdt vol!

Sluiten