Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kolja, die zich al vóór zijns vaders dood met den vorst verzoend had, stelde hem voor om (aangezien de zaak voor de deur stond) Keiler en Boerdovsky als getuigen te nemen. Hij stond er borg voor dat Keiler zich behoorlijk zou gedragen en misschien zou hij zelfs „te pas komen," terwijl men over Boerdovsky zelfs heelemaal niet behoefde te spreken, dat was een stil en bescheiden mensch. Nina Alexandrovna en Lebedef maakten de opmerking tegen den vorst, dat indien het huwelijk dan ook al vast stond, er toch geen reden was dat het in Pavlovsk moest zijn, en dat nog wel in het „seizoen" ; waarom zulk een publiciteit ? Was het niet beter om het in Petersburg en zelfs in huis te doen sluiten? Het was den vorst heel duidelijk waar al die angst heen wilde; hij antwoorde echter kort en eenvoudig, dat Nastasja Filippovna het beslist zoo wilde.

Den volgenden dag verscheen dan ook Keiler bij den vorst; hem was bericht dat hij getuige zou zijn. Voor dat hij binnen kwam bleef hij in de deur staan, hief, zóó als hij den vorst zag, de rechterhand met gestrekten wijsvinger omhoog en riep bij wijze van eed uit:

— Ik zal niet drinken!

Daarna ging hij op den vorst toe, greep zijn beide handen stevig, schudde ze, en verklaarde dat hij zeer zeker in 't begin toen hij van dit huwelijk gehoord had er vijandig tegenover had gestaan, dat hij dit ook aan het biljard had verkondigd, en dat wel om geen andere reden, dan omdat hij den vorst niet minder dan een prinses de Rohan of ten minste de Chabot had toegedacht, en hem dagelijks met het ongeduld van een vriend, met een dezer beiden had verwacht; maar thans zag hij zelf in, dat de vorst minstens twaalf maal edeler dacht dan zij „allen met elkaar." Hij toch had geen glans noodig, geen

rijkdom en zelfs geen eer, maar enkel de waarheid! De

sympathiën van voorname personen waren maar al te bekend, en de vorst was te voornaam door zijn ontwikkeling, dan dat hij niet, in 't algemeen gesproken, een voorname persoonlijkheid zou zijn. „Maar het gepeupel en Jan Rap oor-

Sluiten