Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het hem straks zeker ook maar enkel zoo voorgekomen was; dat de ramen blijkbaar ook zoo vuil en in zoo langen tijd niet gewasschen waren, dat het, zelfs indien iemand inderdaad door de ruiten zou kijken, moeilijk zou zijn een gezicht te onderscheiden. Door die gedachte bemoedigd, reed hij weer naar de onderwijzersweduwe in Ismailofsky Polk.

Daar verwachtte men hem al. De onderwijzersweduwe was reeds op drie, vier plaatsen geweest, en zelfs naar Rogoshin, maar had geen schijn of schaduw ontdekt. De vorst hoorde haar zwijgend aan, kwam binnen, zette zich op den divan, en begon allen aan te kijken alsof hij niet begreep waarover men het had. Vreemd: soms was hij bizonder oplettend en werd dan opeens weer alleronmogelijkst verstrooid. De heele familie beweerde later, dat hij op dien dag een „verwonderlijk vreemd mensch was, zoodat „zich misschien toen ook alles al had aangekondigd." Eindelijk stond hij op en vroeg of men hem de kamers van Nastasja Filippovna wilde laten zien. Het waren twee groote, lichte, hooge kamers, die keurig gemeubileerd en niet duur waren. Naderhand vertelden die dames, dat de vorst elk ding in de kamers had bekeken. Hij had op een tafeltje een open boek uit een leesbibliotheek gezien, een Franschen roman. Madame Bovary; toen hij dien ontdekt had, had hij de bladzijde waarbij het open lag omgevouwen, gevraagd of hij het mee mocht nemen, en het dan daarna, zonder de opmerking te hooren, dat het een boek uit de bibliotheek was, in zijn zak gestoken. Hij was bij het open raam gaan zitten en had, toen hij een speeltafeltje zag waar met krijt op geschreven was, gevraagd: wie speelde? Zij vertelden hem, dat Nastasja Filippovna eiken avond met Rogoshin speelde, doeraki, préférence, whist, enz, alle mogelijke spelen, en dat ze zich eerst in den allerlaatsten tijd sedert haar verhuizen van Pavlovsk naar Petersburg de kaarten hadden aangeschaft. Dat was gekomen, doordat Nastasja Filippovna er aldoor over geklaagd had, dat zij zich verveelde, en dat Rogoshin heele avonden zwijgend zat en over niets wist te praten, en zij dikwijls had geschreid;

53

Sluiten