is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaders liefste zoon

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,, Jozefs vader.

V

i geschiedenis van Jozef is een mooie geschiedenis.

Maar voordat ik u iets over Jozef zelf ga vertellen, wil ik u eerst iets mee-

deelen over zijn vader.

Jozefs vader heette Jakob, en was een van de twee zonen, die geboren werden aan Izaak en Rebekka.

Tweelingen waren Jakob en zijn broer Ezau.

Maar toch leken zij niets op elkaar. Ezan was sterk, een ruwe man, met een ruige, harige huid. Hij werd een jager. En Jakob was een zachte man, zwakker dan zijn broer, met een glad vel. Hij werd een schaapherder.

Ezau vreesde God niet, Jakob wel. Toch deed Jakob leelijke dingen.

Eens riep Izaak zijn zoon Ezau bij zich en zei: „Jaag mij een wildbraad, en maak mij een smakelijke spijs klaar. Dan zal ik u zegenen eer ik sterf." Izaak was al oud en blind. Hij dacht, dat hij niet lang meer leven zou. Maar Izaak had dien zegen niet aan Ezau moeten geven. Want God had hem gezegd, dat Jakob dien moest hebben.

Rebekka hoorde, wat Izaak tegen Ezau zei. Zij hield meer van Jakob dan van Ezau. Daarom wilde zij Jakob den zegen bezorgen. Zij riep Jakob en vertelde hem, wat er gebeuren zou. „Maar," zei ze, „doe nu wat ik u zeg, dan krijgt gij den zegen. Haal spoedig twee geitenbokjes; slacht ze en geef mij het vleesch; dan zal ik dat lekker klaarmaken. Trek dan Ezau's kleeren aan, en ga naar uw vader, en zeg, dat ge Ezau zijt. Dan krijgt gij den zegen."

Jakob durfde eerst niet. Hij vreesde, dat zijn vader het merken zou, en dan zou hij een vloek inplaats van een zegen ontvangen. Maar Rebekka praatte zóólang, dat Jakob zich liet overhalen. De bokjes werden geslacht en toebereid. De velletjes werden om Jakobs handen en hals gedaan, opdat de blinde vader niet voelen zou, dat het Jakob was. En zoo ging Jakob met een kloppend hart naar Izaak.

„Mijn vader, ik heb gedaan, wat gij gezegd hebt. Eet nu van mijn wildbraad en zegen mij." — „Wie zijt gij?" — „Ik ben Ezau, uw oudste zoon." — „Hoe zijt ge dan zoo spoedig terug?" — „Uw God heeft mij geholpen, zoodat ik het wild spoedig gevonden heb." — „Maar de stem is Jakobs stem. Kom dicht bij mij en laat ik u aanraken." — Toen naderde Jakob tot Izaak, en deze betastte zijn handen. „Ja, de stem is wel Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen." Toen kuste Izaak zijn zoon en hij rook den frisschen geur van Ezau's kleeren. Nu twijfelde Izaak niet meer. En hij zegende Jakob.

Kort daarna kwam Ezau thuis. Hij maakte ook zijn spijzen klaar, en ging naar zijn vader. Maar wat schrok de oude man, toen Ezau bij hem kwam en om den zegen vroeg! Toen begreep hij, dat Jakob hem bedrogen had. Ezau kreeg nu nog wel een zegen, maar niet zooals Jakob. Ezau was hierover erg boos en zei: „Wacht maar, als mijn vader gestorven is, dan sla ik Jakob dood!" Dit vertelde men toen aan Rebekka, met het gevolg, dat Rebekka Jakob wegzond naar haar brcer Laban, om daar te blijven tot de toorn van Ezau bedaard zou zijn.

Jakob moest dus vluchten.

Waarheen?

Naar zijn oom Laban. Daar kon hij dan meteen een vrouw zoeken.