Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens aan den onderdaan subjectieve rechten toe, d. w. z. de bevoegdheid om met behulp van den rechter en andere staatsorganen de afwijkingen van die verplichtingen, welke hem schade toebrengen, tegen te gaan en te doen goedmaken. In het privaatrecht is zulke toekenning van recht de keerzijde van het opleggen van verplichtingen. Dat komt ook uit in het juridische spraakgebruik, dat de „actieve" zijde van een verbintenis stelt tegenover de „passieve". Aan den eenen kant staat de schuldeischer (crediteur), aan den anderen de schuldenaar (debiteur).

§ 3. Men kan, zonder de Nederlandsche taal geweld aan te doen, alle door het recht opgelegde verplichtingen verbintenissen noemen1. Doch dat zou wel taalkundig maar niet juridisch juist zijn. Onze wet en ons juridisch spraakgebruik vatten de begrippen verbintenis en verbintenissenrecht enger op. De wet bevat wel is waar geen definitie, welke een kenmerk aangeeft, waardoor de verplichtingen, die verbintenissen mogen heeten, van andere kunnen worden onderscheiden, doch de opbouw der wet — aan het Komeinsche recht ontleend ■— en de gevallen, die in het derde boek, als bijzondere vormen van verbintenissen, speciaal worden geregeld, stellen boven twijfel, dat men onder verbintenis in den engeren (juridischen) zin in de eerste plaats te verstaan heeft een verplichting opgelegd door een regel van vermogensrecht, dus eene, die wordt opgelegd door of krachtens de rechtsregels, welke het economische leven beheerschen.

§ 4. Dat wil niet zeggen, zooals vroeger werd beweerd, dat slechts die verplichtingen als verbintenissen mogen worden beschouwd, welker inhoud een op geld waardeerbare prestatie vormt.2 Men nam dat aan, omdat slechts bij overtreding van zulke verplichtingen een veroordeeling tot betaling van een geldsom, als schadevergoeding, niet mogelijk was. Dat is echter geen afdoend argument. Het moge waar zijn, dat de schadevergoeding. naar ons recht de universeele remedie is om den crediteur te vergoeden, wat hij door toedoen van den debiteur moet ontberen, het is geenszins het eenige rechtsmiddel, dat hem ten dienste staat. Hij kan altijd een veroordeeling tot nakoming vragen, ook

1 Men vergelijke de kernachtige inleiding op het derde boek B. W., welke Opzoomer V blz. 7—9 geeft.

2 Zie over deze vraag H. L. Drucker in R. M. 1892, blz. 176 e. v.

Sluiten