Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in die gevallen, waarin deze veroordeeling niet met dwang kan worden ten uitvoer gelegd.1 In vele gevallen kan hij bovendien ontbinding vragen (art. 1302 B. W.). Dat een praestatie niet op geld waardeerbaar is, kan dus geen reden zijn haar buiten het recht te plaatsen en haar den titel van verbintenis te onthouden. De wet zelf geeft dan ook in het bijzondere deel van het derde boek meer dan een voorbeeld van een verbintenis, welke, bij niet nakoming, bezwaarlijk tot het vaststellen van een geldsbedrag als vergoeding der daardoor geleden schade zou kunnen leiden. Zoo verplicht art. 1638^ den werkgever den arbeider in staat te stellen diens godsdienstplichten waar te nemen en beschermt art. 1638^ des arbeiders Zondagsrust. Vele overeenkomsten, die dagelijks worden gesloten, leggen voorts uitdrukkelijk of stilzwijgend verplichtingen op van dezen aard en de rechter erkent ze geregeld als verbintenissen. 2

Juist met het oog op de gevallen, waarin overtreding van een verplichting bezwaarlijk tot vaststelling van een schadevergoeding volgens de gewone regels zou kunnen leiden, heeft de wetgever de bevoegdheid des rechters verruimd. Men zie art. 1637^ B. W. en art. 16 der wet, betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst. Ten slotte bevat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering thans 3 een voorschrift, dat den rechter toestaat, in dergelijke gevallen de verplichting op te leggen tot betaling van een geldsom aan den benadeelde „indien, zoo lang of zoo dikwijls de veroordeelde niet aan die veroordeeling voldoet". Een echte schadevergoeding kan men dit niet noemen; dergelijke betalingen dienen dan ook niet zoozeer om den benadeelde een equivalent te geven voor wat hem is onthouden, als wel om den nalatigen debiteur te nopen begaan onrecht te herstellen en herhaling tegen te gaan. Art. 61 ia Rv. noemt ze dan ook met een goed gekozen uitdrukking „dwangsommen".

§ 5. Uit de beperking tot verplichtingen, uit het vermogensrecht voortvloeiende, volgt aanstonds, dat buiten het gebied van het

1 H. R.,18 Dec. 1931, W. 12393, N. J. 1932, 769. Ook reeds H. R. 23 Juni 1899, W. 7302. Hoetink n°.,29. Men bedenke daarbij, dat door het nieuwe artikel 587 W. v. B. Rv., (d. w. z. na de wijziging aangebracht bij ,de wet van 29 Dec. 1932, S. 676) de mogelijkheid om in deze gevallen lijfsdwang uit te oefenen, aanmerkelijk is uitgebreid.

2 Zie voorbeelden bij Drucker, R. M. 1892 blz. 177 e. v.

3 D. w. z. sedert het in werking treden der wet van 29 Dec. 1932, S. 676.

Sluiten