Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nissenrecht inneemt1, heeft ertoe geleid, dat ook op deze tweeslachtige verplichtingen het verbintenissenrecht toepasselijk wordt geacht. M. a. w.: ook de uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen tot het geven van geld of goed zijn „verbintenissen" 2.

Van deze verplichtingen kan men dus zeggen, dat de inhoud der prestatie, welke in het geven van geld of goed bestaat, hen onder de heerschappij van het verbintenissenrecht heeft gebracht. De omstandigheid, dat een prestatie op geld waardeerbaar is, moge dus geen essentieel vereischte zijn om een verplichting als „verbintenis" op te vatten, dit geldt alleen voor die verplichtingen, welke in het vermogensrecht wortelen. Voor de thans besproken verplichtingen, die in het familierecht hun oorsprong vinden, 3 heeft het op-geld-waardeerbaar zijn juist de beteekenis, dat zij

1 In een anders georganiseerde maatschappij zou het verbintenissenrecht een minder belangrijke plaats innemen. Zoo was het in de middeleeuwen, toen de maatschappij voor een groot deel volgens de feodale beginselen was opgetrokken en dientengevolge zelfs allerlei handelingen, die tot het ruilverkeer behooren en waarop wij zonder aarzelen het verbintenissenrecht toepassen, in leenrechtelijke vormen werden voltrokken, terwijl ook, v. z. v. mogelijk, daarop allerlei voorschriften van het leenrecht toepasselijk werden geacht. In een streng socialistisch geordende samenleving, waar van staatswege aan ieder wordt toebedeeld, wat hij behoeft en het verkoopen of verruilen der toebedeelde goederen wellicht zelfs verboden zou zijn, zou het verbintenissenrecht geheel of bijna geheel verdwijnen en zouden alle rechtsverhoudingen als ambtenarenrecht worden geconstrueerd.

2 Uitdrukkelijk wordt dit als strekking onzer wet aangeduid door Asser, Het Nederlandsch B. W. vergeleken met het Wetboek Napoleon § 688.

3 Hetzelfde geldt voor de verplichtingen, welke het procesrecht aan de partijen, tegenover elkaar, oplegt. Zoo b.v. de verplichtingen om bepaalde stukken, ter kennisneming door de tegenpartij, over te leggen (art. 147 Rv.); om de echtheid van een handteekening te erkennen of te ontkennen (art. 1913 en 1914 B. W.) ; om een verhoor op vraagpunten te ondergaan (art. 244 Rv.). De schending dezer verplichtingen verhoogt voor den nalatige in aanmerkelijke mate de kans om zijn proces te verliezen, doch van een bovendien te betalen schadevergoeding is geen sprake. Bij uitzondering leggen procesrechtelijke handelingen bovendien ook de plicht tot schadevergoeding op. De getuige, die verschijnt heeft recht op schadeloosstelling (art. 113 Rv.), weigert hij zijn getuigenplicht te vervullen, dan zal hij tegenover de benadeelde partij schadeplichtig zijn (art. 117, 1 Rv.). Ook deze verplichtingen tot betaling, zullen als „verbintenissen" onderworpen zijn aan de regelen van het verbintenissenrecht.

Sluiten