Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daardoor onder het bereik van het verbintenissenrecht worden gebracht. Men kan dus zeggen, dat het op-geld-waardeerbaar zijn ter bepaling van de grens tusschen verplichtingen, die wèl en die niet verbintenissen zijn, van aanvullende beteekenis is.

§ 7. Vaak wordt een scherpe scheiding gemaakt tusschen zakenrecht en andere absolute rechten aan den eenen kant en het verbintenissenrecht aan de andere zijde. Dat is ook juist, indien men het ook vestigt op de bevoegdheden van den tot een absoluut recht gerechtigde eenerzijds en anderzijds op de bevoegdheden van den crediteur uit een verbintenis. De eerste kan van iedereen vorderen, dat zijn door dat absolute recht (eigendom, octrooi, merkenrecht) gewaarborgde vrijheid om te handelen niet wordt gestoord, een vorderingsrecht geeft daarentegen slechts aanspraak tegen een of meer bepaalde personen. De kooper kan slechts den verkooper, de arbeider slechts den ondernemer aanspreken. Voorts geeft het zakenrecht den rechthebbenden soms het middel om hun recht door middelen te handhaven, welke in het verbintenissenrecht onbekend zijn (de z.g. zakelijke acties in het tweede boek B. W. omschreven ; zie ook art. 28 Auteurswet). Doch indien men de zaak van de andere zijde beschouwt, dus van den kant van hem, op wien een verplichting rust, dan kunnen wel de omvang en inhoud dezer verplichting verschillen, de aard der verplichting blijft dezelfde, onverschillig of zij uit eenig zakelijk recht, of uit een verbintenis voortvloeit. Steeds is het een verplichting om zich op een bepaalde wijze tegenover een bepaalden persoon te gedragen. De schending van een absoluut recht kan dan ook — behalve met de z.g. zakelijke acties ■— ook worden te keer gegaan met de middelen, welke het verbintenissenrecht geeft. In den regel toch zal de handeling, waardoor inbreuk wordt gemaakt op het absolute recht van een ander (vernieling van eigendom, nadruk van een werk, waarop auteursrecht rust), tevens opleveren een onrechtmatige daad en aldus, via art. 1401 e. v. B. W., een verbintenis doen ontstaan. Het is dan ook opvallend, dat inbreuk op zakelijke rechten tegenwoordig meer en meer met een vordering ex art. 1401 wordt gekeerdl,

1 Dit is niet een gevolg van het arrest van den H. R. van 31 Jan. 1919, W. 10365,~N. J. 1919, 161; HoeTink n°. 95, doch was reeds daarvóór door den Hoogen Raad erkend (arrest 13 Juni 1913, W. 9531; Hoetink n°. 93).

Sluiten