Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorbeelden : i. uit een overeenkomst van koop en verkoop ontstaat voor den verkooper de verplichting tot levering, voor den kooper, die tot betaling van den koopprijs. Uit één overeenkomst zijn dus twee verbintenissen ontstaan. Deze overeenkomst was een handeling, bepaaldelijk op het doen ontstaan van verbintenissen gericht.

2. Wie een betaling aanneemt, welke hem niet verschuldigd is, (beide partijen vergissen zich b.v. in het beloop der schuld; een erfgenaam keert een legaat uit, dat, blijkens een later gevonden testament, herroepen was) is verplicht het hem onverschuldigd betaalde te restitueeren (art. 1395 B. W.). Of: Een erfgenaam aanvaardt een erfenis. Ook al heeft hij daarbij slechts aan eigen voordeel gedacht, hij zal niettemin als gevolg van die handeling gehouden zijn de crediteuren van den erflater, desnoods uit eigen middelen, te voldoen (art. 1146 B. W.). Ziehier voorbeelden van wat onze wet een verbintenis uit de wet, tengevolge van 's menschen toedoen (en wel uit een rechtmatige daad) noemt.

3. Wie een strafbaar feit (onrechtmatige daad) pleegt, b.v. eigendom van een ander zonder diens toestemming vernielt, is gehouden de schade te vergoeden welke hij den eigenaar heeft toegebracht.

Ook in de voorbeelden 2 en 3 was dus voor het ontstaan van een verbintenis een menschelijke handeling noodig. Doch zij was éénzijdig en behoeft niet gericht te zijn geweest op het doen ontstaan van een verplichting. Wie onverschuldigd betaalt, doet dat om van zijn (vermeende) schuld af te zijn, niet om een vordering tot terugbetaling te verkrijgen; evenmin neemt zijn tegenpartij het geld of goed met de bedoeling om zich tot restitutie te verplichten.

Evenmin is dat het geval met hem, die een onrechtmatige daad pleegt. Ook als deze opzettelijk wordt verricht, is deze mogelijk gericht op de benadeeling van een ander, doch niet op het doen ontstaan der vcrgoedingsverplichting. De verbintenis is het gevolg van de daad, waardoor schade wordt toegebracht, onverschillig of de dader zich er van bewust is geweest, dat deze daad ook voor hemzelf wel eens nadeelige gevolgen kon hebben.

4. De eigenaars van naburige erven zijn jegens elkaar tot een aantal verplichtingen gehouden (artt. 672—720 B. W.).

Ouders en kinderen zijn gehouden elkaar zoo noodig te onderhouden (artt. 375—384 B. W.). Deze verplichtingen worden door de wet aan den eigenaar van een stuk grond of aan hem, die tot een ander in bepaalde familieverhouding staat, opgelegd, zonder dat eenige handeling van den verbondene daaraan voorafgaat. Dit zijn de verplichtingen, die de wet verbintenissen uit de wet alleen noemt.

§ 15. Men heeft de onderscheiding, die onze wet maakt, scherp gecritiseerd.1 Allereerst heeft men opgemerkt, dat ook over-

1 Een overzicht dezer aanvallen en een verdediging van het artikel vindt men in een lezenswaardig artikel van v. d. Heyden: De toerekenbare schijn en de bronnen der verbintenis, in R. M. 1928 blz. 148.

Sluiten