Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaakwaarneming — de verbintenis uit de wet aan beide partijen verplichtingen oplegt en dus dicht nadert tot eene uit overeenkomst. Daarentegen is bij de overeenkomst de wil van partijen hoofdzaak. Zij kunnen — binnen de grenzen die de wet hun in het algemeen belang stelt — naar eigen inzicht den inhoud eener overeenkomst bepalen. Zij zijn noch aan de in de wet beschreven typen (koop, huur, maatschap, bruikleen enz.), noch aan de voor elk type gegeven bepalingen van aanvullend recht gebonden. Hier had de wetgever dus ook een andere taak dan bij de verbintenissen uit de wet. Hij moest geven — en heeft ook gegeven — voorschriften betreffende het tot stand komen van overeenkomsten in het algemeen. Daar den pp. den inhoud der overeenkomst slechts zeer onvolledig plegen te regelen en zich telkens gevallen voordoen, waarin pp. niet of onvolledig hebben voorzien, moesten verder voorschriften worden opgenomen, welke een leiddraad geven voor de uitlegging en aanvulling der door pp. getroffen afspraken. Daarbij kon de wetgever zich natuurlijk niet op het standpunt stellen van een bepaald individu met diens eigenaardige opvattingen of karaktertrekken, doch moest men van een gemiddelde uitgaan. Dit gemiddelde, dit „type" is dat van den verstandigen fatsoenlijken mensch, die over een gemiddelde hoeveelheid wereldwijsheid beschikt. Natuurlijk is deze regeling — ook de wet is menschen werk—■ niet overal even gelukkig uitgevallen. Doch het beginsel is zeker juist. Niemand, ook niet de sloddervos, de angstvallige of de listeling, kan er zich over beklagen, dat hij als een verstandig en fatsoenlijk man wordt aangezien en behandeld. Alleen op dien grondslag is een regeling van het maatschappelijk verkeer mogelijk. Ook zijn er wijzen van tenietgaan, die wel bij verbintenissen uit overeenkomst, doch niet bij verbintenissen uit de wet zich kunnen voordoen. Dit zijn de ontbinding (art. 1302 B. W.) en de vernietiging (art. 1482 e. v. B. W.), die beide de overeenkomst te niet doen, welke het fundament der verbintenis uitmaakt en daardoor ook de verbintenis zelve ondergraven. Het is dus waarlijk geen wonder, dat, nu men bij de wettelijke regeling van de eene soort op andere punten had te letten, als bij de andere ter sprake kwamen, allereerst de verbintenissen naar hun oorsprong onderscheidde.

Sluiten