Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 16. Men heeft tegen art. 1269 n°g een ander bezwaar geopperd en daarin moeten wij de critici der wet gelijk geven. Het artikel is niet volledig,nu het niet de verjaring als bron van verbintenis noemt, terwijl art. 2000 B. W. toch uitdrukkelijk zegt, dat ook de „eigendom" van een „aan toonder niet betaalbare inschuld" door langdurig bezit kan worden verworven.1 Van veel belang is deze objectie echter niet.

§ 17. Indien wij sommige schrijvers en den Hoogen Raad moeten gelooven, zou ook de gangbare moraal een rechtstreeksche bron van verbintenissen zijn, zij het dan dat deze niet geheel gelijk staan met die, welke uit wet of overeenkomst voortspruiten. Deze „fatsoensverplichtingen" zouden de „natuurlijke" verbintenissen zijn 2, in art. 1395 vermeld. Door te bepalen, dat niet als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd, wat ter voldoening aan een „natuurlijke" verbintenis is betaald 3, erkent de wet implicite, dat er een zeker soort verplichtingen bestaan, waarvan men de voldoening niet in rechte kan vragen,

1 Practische beteekenis heeft dit invoegsel in art. 2000 B. W. nauwelijks. Immers om daarop een beroep te kunnen doen, moet men gedurende 20 (of 30) jaar het „be;it" der inschuld hebben gehad. Dat is eigenlijk slechts denkbaar bij rentedragende schulden, lijfrenten enz. Bestaat de verbintenis toch in een praestatie, die slechts éénmaal behoeft te geschieden (de betaling van een som geld, de uitkeering van een legaat enz.), dan heeft het uitoefenen van zijn recht door den crediteur het tenietgaan der geheele schuld tengevolge. Terwijl de uitoefening van bezitsdaden t. a. v. onroerend goed niet ter kennis van den eigenaar behoeven te komen wordt de debiteur in dit geval door elke bezitsdaad aan het beweerde bestaan van een verbintenis herinnerd. Dat de verjaringstermijn dus ongestoord verloopt, zal wel zelden voorkomen.

2 Een helder en beknopt overzicht van deze en daarmede verbonden vragen bij Asser-van Goudoever blz. 10—19. Belangrijke wijzigingen hebben deze vragen echter ondergaan door het arrest van den H R van 12 Maart 1926, W. 11488; n. j. 1926 blz. 777; HoeTink n«. 87; hieronder nader te bespreken en de daarop gevolgde onderzoekingen en discussies.

3 Uit de bepaling van art. 1395 B. W. volgt rechtstreeks nog iets meer dan er staat. Ook, wat betaald is ter voldoening aan een civiele schuld die later blijkt niet bestaan te hebben, kan toch niet worden teruggevorderd, indien zou blijken, dat er wél ten natuurlijke verbintenis had bestaan van denzelfden inhoud. Indien men echter — zooals vele auteurs o.a. Suyeing II § 31 doen — den eisch stelt, dat art. 1395 slechts toepassing mag vinden, indien aan de natuurlijke verbintenis is voldaan met de wetenschap, dat de betaling niet in rechte afdwingbaar is, zal dit geval zich niet vaak voordoen.

Sluiten