Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch die op dit ééne punt met de echte — de z.g. „civiele" — verbintenissen gelijk worden gesteld.1

§ 18. De eerste en voornaamste moeilijkheid, die art. 1395 ons dus voorlegt, is te beslissen, wat wij onder natuurlijke verbintenissen hebben te verstaan. Gelijk de naam reeds aanduidt en uit de rechtsgeschiedenis overtuigend blijkt, is het een begrip, dat ons uit de leer van het natuurrecht is overgeleverd. Het ligt dus voor de hand om in de eerste plaats na te gaan, wat de natuurrechtsleeraars, in de eerste plaats zij, wier denkbeelden wij in den Code Civil en, indirect, in ons B. W. terugvinden, dienaangaande verkondigden.

Dat deze geenszins een zoo uitgebreide beteekenis aan het begrip natuurlijke verbintenis hebben gehecht, als de H, R. doet, staat thans, vooral na het onderzoek van Scholtens, wel vast. Zij beperkten het begrip natuurlijke verbintenis allen of bijna allen tot die verplichtingen, welke ontstaan op een der in het civiele recht erkende wijzen (overeenkomst, onrechtmatige daad, ongegronde verrijking, familierelatie), doch aan welke door dat zelfde civiele recht, al dan niet opzettelijk, een actie onthouden of ontnomen is, zoodat een rechtsmiddel ontbreekt om deze verbintenissen in rechte te realiseeren. Met name deed dit ook Pothier 2, die de verplichtingen, welke op andere wijze ontstaan, ook al zijn zij voor het forum der consciëntie wellicht van gelijke waarde als de „natuurlijke", toch weer uitdrukkelijk tot een afzonderlijke groep, de z.g. obligations imparfaites, vereenigde, waaraan ook de zeer beperkte rechtsgevolgen onthouden werden, die het civiele recht aan de natuurlijke verbintenissen nog wel wil toekennen. En ook bij het maken van deze indeeling stond Pothier niet alleen ; hij volgde ook daarbij de leer van

1 In den laatsten tijd is over het begrip en de geschiedenis van de natuurlijke verbintenis bij ons veel geschreven. Men zie meijers, Natuurlijke en onvolkomen verbintenissen, W. P. N. R. 2963—2965; j. E. Scholtens, De geschiedenis der natuurlijke verbintenis sedert het Romeinsche Recht (1931), waarin ook uitvoerig de moderne litteratuur en rechtspraak vermeld wordt; P. H. Smits, Een onderzoek naar de theorie der natuurlijke of onvolkomen verbintenis, R. M. 1925 en 1926 en, naar aanleiding van de jongste rechtspraak, W. j. A. j. DuYNSTEE, Het wezen der natuurlijke verbintenis, in Rechtsgeleerde Opstellen, aangeboden aan Prof. Mr. P. Scholten (1932) blz. 126.

2 Scholtens A. W. blz. 202 e. v. ; Meijers in W. P. N. R. 2963—65.

Sluiten