Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meerderheid der natuurrechtsleeraren. 1 De onderscheiding tusschen volkomen en onvolkomen verplichtingen was in de i8e eeuw algemeen bekend.

Bij de Hollandsche natuurrechtsleeraren was het trouwens niet anders. 2 Voor de Groot wordt het door Scholtens 3 duidelijk uiteengezet.

1 Op een enkele plaats schijnt Pothier van dit systeem af te wijken en ook die verplichtingen, die uitsluitend in de moraal gefundeerd zijn tot natuurlijke te verheffen. Gelijk SchoeTens blz. 214 noo. 2 aantoont i's dit meestal slechts sclüjn. Het aantal gevallen, waarin Pothier zijn'eigen systeem ontrouw wordt, is gering. En bij het tot stand komen van den Code Civil heeft men zeker niet aan die ongewilde inconsequenties doch wel aan de algemeene theorie van Pothier gedacht. Zie Meyers in het W. P. N. R. en Schoetens blz. 236 e. v.

2 Men zie slechts het werk van den beroemden Leidschen hoogleeraar F. W. PESTEE, dat herhaaldelijk werd herdrukt en in 1783 ook in het Nederlandsch vertaald onder den titel: De gronden der natuurlijke rechtsgeleerdheid. In deel II komt hij over de natuurlijke plichten te spreken, die hij (§ 256) verdeelt in volkomene, welker nakoming in rechte kan worden afgedwongen en de onvolkomene, waarmede dit niet het geval is. Waaraan is te zien of een verplichting — volgens het natuurrecht — tot de eene of de andere groep behoort ? Na eenige andere criteria te hebben verworpen, vindt Pestee het kenmerk (§ 258) voor deze onderscheiding in het ontstaan. Alle plichten, zegt hij, zijn onvolmaakt, behalve die, ontstaan uit overeenkomst of uit den plicht om niemands leven en lichaam, vrijheid en eigendom te schenden. Hoewel het woord „natuurlijke verbintenis" hier niet voorkomt — vermoedelijk vermijdt"pestel het, omdat bij de beschrijving van het natuurrecht alle verbintenissen natuurlijke zijn — komt dit systeem vrijwel met dat van Pothier overeen. Zijn bedoeling, om in het bovenstaande de indeeling van het natuurrecht te beschrijven, wordt nog duidelijker bij de lezing van § 312, waar hij aan het civiele recht in de eerste plaats de rol toekent om de' voorschriften van het natuurrecht te bevestigen, doch verder zegt, dat het soms „onvolmaakte natuurplichten in volmaakte" doet overgaan of aan „volmaakte natuurplichten derzelver kracht ... of in het geheel of ten deele (doet) verliezen".

3 Schoetens i53_i58. Aan hem, die nog mocht twijfelen op grond van de soms vage terminologie, die Grotius vaak bezigt, zij de lezing aanbevolen van het werkje: De principiis juris naturalis enchiridion (Haag 1667), door WiEEEM de Groot geschreven om de specifiek natuurrechtelijke denkbeelden van zijn grooten broeder samen te vatten en te populanseeren. Het werd na den dood des schrijvers door diens zonen uitgegeven. Op blz. 36 vinden wij daar als definitie van de natuurlijke verbintenis: (obligatio . . .) „quae ex pacto et promissione, cui lex civilis non adsistit, oritur", of wel bestaat in een „debitum naturale cujus causa dejure quidem naturae et gentium subsistit, sed quod tarnen jure Romano erficaciter peti non potest".

Sluiten