Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 19. Intusschen is de Hooge Raad1 juist met een beroep op de historie, tot een andere conclusie gekomen ens prak hij in 1926 uit, dat in art. 1395 (2) is gedacht „niet alleen aan gevallen, waarin naar de positieve rechtsregeling een schuld aanwezig is, doch het recht tot vorderen hetzij van den aanvang af heeft ontbroken, hetzij door later ingetreden omstandigheden is komen te vervallen, maar mede aan gevallen, waarin de betrokkene voldoet aan een verplichting jegens een ander, welke slechts berust op de voorschriften van de moraal of het fatsoen". Blijkbaar is ons hoogste rechtscollege meegesleept door het voornamelijk historisch georiënteerde betoog van den pleiter, die deze meening had verdedigd. 2 Dit historische betoog zal evenwel, na de studies van Meijers en Scholtens 3, vermoedelijk weinig aanhangers meer vinden. 4

§ 20. Men houde overigens in het oog, dat de Hooge Raad niet zegt, dat alle verplichtingen, welke de moraal ons oplegt, natuurlijke verbintenissen zijn. Het arrest zegt slechts, dat er gevallen van dezen aard zijn, die even goed als de practischkrachtelooze civiele verbintenis tot de categorie der natuurlijke verbintenissen behooren. Wordt de opvatting van den Hoogen Raad door dit college ook in de toekomst gehandhaafd, dan

1 Arrest van 12 Maart 1926, W. 11488; N. j. 1926 bl:. 777 (noot van P. Schoeten), W. P. N. R. 2939, (noot van A. Land), Hoetink n°. 87, Dit arrest gaf den stoot tot de hierboven vermelde artikelen van MeyerS alsmede tot een reeks andere geschriften besproken in het laatste hoofdstuk van Scholtens' dissertatie.

2 De Hooge Raad geeft niet aan, op welke historische gegevens hij zijn overtuiging van de ruime beteekenis van het begrip natuurlijke verbintenis grondvest. Daar echter de A.-G. besier zich met des pleiters betoog uitdrukkelijk vereenigde en dat in zijn conclusie nog eens kort samenvatte, terwijl het arrest t. a. v. de juistheid der door hem verdedigde stellingen geen enkel voorbehoud maakt, mag zeker worden aangenomen, dat de H. R. zich daarmede heeft vereenigd. Met begrijpelijken trots heeft Mr. Montijn dan ook zijn pleidooi later in druk doen verschijnen onder den titel ,,Natuurlijke Verbintenissen naar Nederlandsch Recht". Dit geschrift kan haast als authentieke commentaar van het arrest gelden. Montijn kwam nader op de zaak terug in zijn bespreking van Scholtens' proefschrift in Themis 1933.

3 Trouwens reeds onmiddellijk bij de publicatie van het arrest in de N. j. gaf P. Scholten in de daaronder geplaatste noot uiting aan zijn twijfel of de beslissing historisch wel verantwoord was.

4 Scholtens heeft met Montijn'S argumentatie in het bijzonder afgerekend op blz. 214 en 215 van zijn proefschrift.

Sluiten