Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting vragen wegens schending der legitieme portie, indien niet een schenking plaats had, doch aan een natuurlijke verbintenis is voldaan.1 Wederom is dat slechts begrijpelijk, indien een causa civilis obligandi aanwezig is.

Xiet minder dan de historie, verzet dan ook het geheele systeem onzer wet zich tegen de aanvaarding van de ruime opvatting. Integendeel, beide wegen voeren gelijkelijk tot de conclusie, dat als natuurlijke verbintenissen slechts erkend mogen worden die verbintenissen, welke voortvloeien uit een der door de wet aangegeven bronnen van verbintenis, doch wier realisatie om de een of andere reden niet of niet meer mogelijk is.

§ 22. Voldoening van een natuurlijke verbintenis is, zoo wordt veelal gezegd, „betaling" in den zin van ons burgerlijk recht, in het bijzonder in die van de artt. 1417 e. v. Deze opvatting heeft de steun der traditie achter zich. Logisch is zij echter alleen, indien men het begrip natuurlijke verbintenis beperkt tot de verplichtingen uit obligatoire rechtsfeiten voortgesproten, tot welker nakoming geen dwang kan worden uitgeoefend. In die gevallen is inderdaad voldoening = betaling. Doch indien men de ruime uitlegging van den H. R. aanvaardt, staat de zaak anders. Evenmin als een verplichting, die in de sfeer van het natuurrecht als een verbintenis gold, door het positieve recht altijd als zoodanig wordt erkend, is het vanzelf sprekend, dat het voldoen aan zoon natuurlijke verbintenis een betaling is in den zin onzer wet. Even goed denkbaar is het, dat, wat naar natuurrecht betaling is, volgens het positieve recht als een schenking is te beschouwen. Datgene, wat zoodanige praestatie tot betaling stempelt, is immers juist het feit, dat hij, die zoodanige praestatie verricht, daartoe (door een verbintenis) rechtens verplicht is. En dat element ontbreekt juist bij de natuurlijke verbintenis. Waar een praestatie

1 Zie het overzicht dat Scholtens geeft (Hoofdstuk IX) van de moeilijkheden, welke het aanvaarden der ruime omschrijving in Frankrijk met zich bracht. Zoowel de theorie als de rechtspraak zijn troebel en ondoorzichtig geworden. De consequentie, dat erfgenamen geen inkorting kunnen vragen van legaat, dat de legitieme aantastte, indien dat legaat was gemaakt om aan een natuurlijke verbintenis te voldoen is reeds getrokken door Rb. Haarlem, in het vonnis, dat vernietigd werd door het Hof te Amsterdam bij arr. van 29 Juni 1933, W. 12677 en is — in beginsel — ook m dat arrest erkend.

Sluiten